WIERINGERWERF – De 38-jarige Kevin H. uit Wieringerwerf was als vrijwilliger aan het werk de Vereniging Paardrijden voor Gehandicapten in Opmeer toen hij startte met het misbruiken van een toen 14-jarig gehandicapt meisje. Het misbruik begon op 1 september 2016 en duurde tot 1 oktober 2017. Naast dit feit moest de man zich tijdens de inhoudelijke zitting van dinsdag 18 maart in de rechtbank in Alkmaar voor 3 andere feiten verantwoorden. Ook deze feiten gingen over misbruik van gehandicapte vrouwen
Het misbruik vond plaats in meerdere plaatsen in Noord-Holland waaronder Winkel, Lutjewinkel, Alkmaar, Opmeer, Spanbroek, en Wieringerwerf, maar ook buiten Noord-Holland in het Drentse Emmen.
mr. De Boer, de raadsvrouw van H. pleitte voor vrijspraak voor feit 1 omdat zij primair vond dat er geen wettig en overtuigend bewijs was voor het misbruik en ook subsidiair voor vrijspraak omdat volgens de raadsvrouw niet kon worden vastgesteld dat het het meisje aan de zorg en waakzaamheid van haar cliënt was toevertrouwd , daarnaast klopte volgens de raadsvrouw ook de ten laste gelegde pleegperiode niet omdat de aangeefster enkel heeft verklaard over de periode tussen februari 2017 en september 2017.
Ook voor de 3 andere feiten pleitte de raadsvrouw voor vrijspraak omdat de feiten niet overtuigend kon worden bewezen.
De officier van justitie was het niet eens met de raadsvrouw en vond juist dat alle feiten wel overtuigend bewezen konden worden en eiste in het requisitoir een celstraf van 21 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daarnaast bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, ook moet H. volgens het OM. een verbod krijgen om gedurende de proeftijd vrijwilligerswerk met minderjarigen of gehandicapten te verrichten.
De rechtbank oordeelde dat in zedenzaken vaak maar twee personen betrokken zijn bij de ten laste legging, het slachtoffer en de dader, wat weer zorgt voor weinig of geen andere bewijsmiddelen dan enkel de verklaring van het slachtoffer. Het steunbewijs is volgens een uitspraak van de Hoge Raad niet vereist, de aangifte kan ook op andere specifieke punten steun vinden in het overige bewijsmateriaal.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de slachtoffers van H. consistent en gedetailleerd hebben verklaard over de seksuele handelingen die H. bij hun heeft gepleegd. De rechtbank stelde dan ook vast dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Dat pas jaren later aangifte tegen H. is gedaan is volgens de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
De rechtbank kwam in haar oordeel dan ook tot de beslissing dat H. een sanctie moet opgelegd krijgen. In de uitspraak ging de rechtbank in op de zeer ernstige strafbare feiten waaraan H. zich schuldig heeft gemaakt. De rechtbank legde H. dan ook een celstraf van 366 dagen op waarvan 365 dagen voorwaardelijk minus de dag dat H. in voorarrest heeft gezeten, daarnaast krijgt H. de maximale taakstraf van 240 uur en moet hij beide slachtoffers smartengeld betalen, 3500 euro voor het meisje en 5000 euro voor de vrouw en mag hij drie jaar lang geen vrijwilligerswerk gaan doen en ook mag hij drie jaar lang geen contact hebben met beide slachtoffers.