Rechtbank: Terugkeerbesluit voor Turkse derdelander uit Oekraïne is rechtmatig

De eiser in deze zaak, een man van Turkse nationaliteit, verbleef in Oekraïne toen de grootschalige Russische invasie begon. Na zijn aankomst in Nederland kreeg hij tijdelijke bescherming op grond van de Europese Richtlijn.

Bookmark dit artikel

Lees dit ook...

HBP Media
HBP Mediahttps://hbpmedia.nl
24 uur per dag het wereldwijde nieuws op uw scherm.. Iets te melden/klagen: info@hbpmedia.nl . Columns zijn op persoonlijke titel

DEN HAAG, 13 april 2026 – De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd aan een Turkse man die vanuit Oekraïne naar Nederland was gevlucht. De rechtbank stelt vast dat de man, een zogeheten derdelander, niet langer onder de werking van de Richtlijn tijdelijke bescherming valt en geen ander rechtmatig verblijf in Nederland heeft.

De uitspraak volgt op een juridisch geschil over de status van personen met een niet-Oekraïense nationaliteit die ten tijde van de Russische invasie op 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Deze groep, in het vreemdelingenrecht aangeduid als derdelanders, ontving in eerste instantie facultatieve tijdelijke bescherming in Nederland. De rechtbank bevestigt nu dat deze bescherming definitief is geëindigd.

Einde van facultatieve tijdelijke bescherming

De eiser in deze zaak, een man van Turkse nationaliteit, verbleef in Oekraïne toen de grootschalige Russische invasie begon. Na zijn aankomst in Nederland kreeg hij tijdelijke bescherming op grond van de Europese Richtlijn. Echter, de minister besloot deze specifieke vorm van bescherming voor derdelanders met een tijdelijke Oekraïense vergunning eerder te beëindigen dan de bescherming voor Oekraïense onderdanen.

De rechtbank wijst in haar vonnis op eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit vloeit voort dat lidstaten het recht hebben om de facultatieve bescherming voor derdelanders per 4 maart 2024 te beëindigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze lijn af te wijken en oordeelt dat er voor de minister geen noodzaak was om een nieuw afzonderlijk besluit over deze beëindiging te nemen.

Geen aanspraak op verplichte bescherming

Een centraal punt in het betoog van de man was de stelling dat hij alsnog onder de verplichte werkingssfeer van de Richtlijn zou vallen. Hij voerde aan dat er sprake is van rechtsongelijkheid binnen de Europese Unie, waarbij hij verwees naar de Hongaarse vertaling van het relevante Uitvoeringsbesluit. Volgens de eiser zou daaruit blijken dat een permanente Oekraïense verblijfsvergunning niet strikt vereist is voor bescherming.

De rechtbank verwerpt dit argument. Zij stelt vast dat uit Europese rechtspraak duidelijk een onderscheid wordt gemaakt: alleen derdelanders met een permanente Oekraïense verblijfsvergunning vallen onder de dwingende bescherming. Nu de eiser enkel beschikte over een tijdelijke vergunning in Oekraïne, kan hij geen aanspraak maken op de rechten die gelden voor Oekraïners of permanente residenten.

Huwelijk biedt geen soelaas voor verblijfsstatus

Tijdens de procedure kwam naar voren dat de man op 15 februari 2024 in Nederland is gehuwd met een Oekraïense vrouw. Hij betoogde op basis hiervan dat hij als gezinslid van een Oekraïense onderdaan recht heeft op tijdelijke bescherming. De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat de Richtlijn vereist dat het gezinsverband al bestond in het land van herkomst (Oekraïne) op het moment van de ontheemding. Aangezien het huwelijk pas in Nederland is gesloten, voldoet de man niet aan de voorwaarden voor bescherming als gezinslid.

Opschorting versus rechtmatig verblijf

De eiser voerde verder aan dat hij rechtmatig verblijf genoot door de zogeheten ‘bevriezingsmaatregel’ van de minister. Deze maatregel hield in dat derdelanders tijdelijk in Nederland mochten blijven wonen en werken in afwachting van juridische duidelijkheid. De man beschikte tevens over een arbeidsaantekening die hem toestond te werken.+3

De rechtbank verduidelijkt echter dat deze bevriezingsmaatregel enkel een “opschorting van verwijdering” inhield en geen vorm van legaal verblijf was. Het feit dat de man mocht werken, vloeide voort uit de tijdelijke behandeling alsof hij een begunstigde van de Richtlijn was, maar dit creëerde geen hernieuwd rechtmatig verblijf nadat de bescherming formeel was geëindigd.

Geen risico bij terugkeer naar Turkije

Een ander onderdeel van het beroep betrof de veiligheid bij terugkeer naar het land van herkomst. De minister heeft beoordeeld of een terugkeerbesluit in strijd zou zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat foltering en onmenselijke behandeling verbiedt.+2

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat er geen zwaarwegende feiten zijn die erop wijzen dat de man in Turkije een reëel risico loopt op een dergelijke behandeling. Opvallend hierbij is dat de man in een eerdere asielprocedure zelf niet had aangegeven te vrezen voor problemen in Turkije. De aanvraag werd destijds buiten behandeling gesteld omdat de man niet was komen opdagen of geen relevante vrees had geuit.

Familieleven en de procedurele weg

De eiser deed tot slot een beroep op artikel 8 van het EVRM, dat het recht op familie- en gezinsleven beschermt. Hij stelde dat de minister zijn belangen onvoldoende had afgewogen, zeker gezien zijn huwelijk met een Oekraïense vrouw die wel in Nederland mag verblijven.+2

De rechtbank oordeelt echter dat de minister in deze procedure niet verplicht was tot een uitgebreide individuele belangenafweging. De procedure rondom een terugkeerbesluit is namelijk niet bedoeld voor het verkrijgen van een verblijfsrecht. Indien de man een beroep wil doen op zijn gezinsleven, dient hij daarvoor een afzonderlijke aanvraag in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarnaast verweet de rechter de eiser dat hij zijn huwelijk pas in de beroepsfase naar voren had gebracht en niet al in de zienswijze tegen het besluit, wat voor zijn eigen risico komt.

Uitspraask

De rechtbank verklaart het beroep van de Turkse derdelander ongegrond. Dit betekent dat de minister bevoegd was om het terugkeerbesluit op te leggen. De man heeft vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd gekregen om Nederland zelfstandig te verlaten. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.


Ontdek meer van HBP Media

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Meer van dit..

1 REACTIE

Geef een reactie

- Advertisement -

Nieuw binnen