LEEUWARDEN, 20 maart 2026 – De rechtbank in Leeuwarden heeft de gemeente Leeuwarden teruggefloten in een zaak over de intrekking en terugvordering van een bijstandsuitkering. De rechter oordeelde dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat een man in januari 2024 en in juli 2024 ten onrechte bijstand ontving. Het beroep van de inwoner van Leeuwarden is daarom gegrond verklaard.
Contant geld en aankoop auto centraal in zaak
De gemeente trok de uitkering over twee periodes in: van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024 en van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024. Daarbij vorderde het college in totaal ruim 2.300 euro aan bijstand terug.
Aanleiding was een politieaanhouding in januari 2024 op verdenking van drugshandel. In een auto op naam van de man werd toen 8.305 euro aan contanten gevonden. In zijn woning lag nog eens 6.207,50 euro. Later bleek ook dat hij in juli 2024 een auto had gekocht voor 3.000 euro.
Volgens de gemeente wees dit erop dat de man over vermogen of inkomen beschikte waarover hij geen melding had gemaakt. Ook stelde het college dat het aannemelijk was dat het geld uit drugshandel afkomstig was.
Gemeente leverde volgens rechter onvoldoende bewijs
De rechtbank ging daar niet in mee. Volgens de rechter mocht de gemeente er wel van uitgaan dat het contante geld op 16 januari 2024 in bezit van de man was, omdat het in zijn auto en woning werd aangetroffen. Maar daarmee is nog niet bewezen dat hij daar ook al vanaf 1 januari 2024 over beschikte.
Juist dat punt was volgens de rechtbank doorslaggevend. Omdat het gaat om een belastend besluit, ligt de bewijslast in beginsel bij de gemeente. Het vermoeden dat de man al langer in drugs zou handelen, gebaseerd op de hoogte van het bedrag en zijn antecedenten, vond de rechtbank onvoldoende.
Daarmee is volgens de rechter niet aannemelijk gemaakt dat de man zijn inlichtingenplicht heeft geschonden in de eerste helft van januari 2024. De intrekking en terugvordering over die periode houden daarom geen stand.
Ook besluit over juli 2024 houdt geen stand
Voor juli 2024 oordeelde de rechtbank eveneens dat de gemeente te kort door de bocht is gegaan. De man had op 9 juli 2024 een bedrag van 3.000 euro ontvangen en daarmee kort daarna een auto gekocht. Volgens de gemeente moest dat bedrag als inkomen worden gezien en had hij daarom over die hele maand geen recht op bijstand.
De rechtbank stelde echter vast dat niet aannemelijk is gemaakt dat de man al op 1 juli over dat geld beschikte. Ook bleek uit het toekenningsbesluit niet duidelijk dat de bijstand over juli als lening was verstrekt. Volgens de rechter mochten de man en zijn echtgenote ervan uitgaan dat de uitkering “om niet” was verleend.
Daarom kon de gemeente de volledige bijstand over juli niet zonder meer intrekken en terugvorderen.
Alleen over twee dagen moet gemeente opnieuw beslissen
De rechtbank heeft de eerdere besluiten van de gemeente herroepen, behalve voor zover het gaat om 9 en 10 juli 2024. Over die twee dagen moet het college opnieuw een beslissing nemen op bezwaar.
Daarnaast moet de gemeente het griffierecht van 53 euro vergoeden. Ook is Leeuwarden veroordeeld tot betaling van 3.200 euro aan proceskosten.
Conclusie van de rechtbank
Met de uitspraak maakt de rechtbank duidelijk dat een vermoeden van illegale inkomsten niet genoeg is om een bijstandsuitkering in te trekken. De gemeente moet concreet kunnen aantonen vanaf welk moment iemand over geld beschikte en op welke juridische grond terugvordering rust.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.