AMSTERDAM, 8 maart 2026 – De rechtbank Amsterdam heeft een verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen van een vrouw die opnieuw in aanmerking wilde komen voor een standplaats voor een woonwagen aan het [adres] in Amsterdam. Volgens de voorzieningenrechter mocht de gemeente de aanvraag afwijzen. De rechter oordeelde daarbij dat de weigering om de standplaats te verhuren geen bestuursrechtelijk besluit is, maar een civielrechtelijke kwestie tussen verhuurder en huurder. Daarmee staat tegen die weigering niet de gebruikelijke bezwaarroute van het bestuursrecht open.
De uitspraak van 4 maart 2026 draait om een langslepende juridische strijd over woonwagenstandplaatsen, huurrecht en de vraag of een bewoner via de bestuursrechter kan afdwingen dat een standplaats voorlopig beschikbaar blijft. De rechtbank komt in deze fase tot de conclusie dat daarvan geen sprake is. Het verzoek om het besluit te schorsen en te voorkomen dat de plaats aan een ander wordt toegewezen, is afgewezen.
Achtergrond van het conflict
De gemeente Amsterdam is eigenaar en verhuurder van de standplaatsen aan het betrokken adres. De verzoekster en haar partner huurden sinds 1 februari 1996 een standplaats op die locatie. Hun zoon huurde daarnaast een andere standplaats op hetzelfde adres. Daarmee speelde het geschil zich af binnen één woonwagenlocatie waar meerdere familieleden woonden.
De problemen begonnen na een politieactie in de nacht van 2 op 3 april 2025. Volgens de uitspraak zijn toen beide woonwagens doorzocht. In de woonwagen van verzoekster trof de politie onder meer vuurwapens, munitie en ruim een kilo hennep aan. In de naastgelegen woonwagen van haar zoon werden vuurwapens, munitie, harddrugs, zwaar illegaal vuurwerk en politie-uitrustingen gevonden. Naar aanleiding daarvan zijn verzoekster, haar partner en haar zoon als verdachten aangehouden voor overtredingen van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie.
Op basis van die bevindingen besloot de burgemeester van Amsterdam op 28 mei 2025 beide woonwagens voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster probeerde die sluiting eerder al via een voorlopige voorziening tegen te houden, maar de voorzieningenrechter wees dat verzoek op 4 juli 2025 af. Daarna ontbond de gemeente de huurovereenkomsten van de standplaatsen buitengerechtelijk op grond van artikel 7:231, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Eerdere procedures wogen zwaar mee
De vrouw verzette zich vervolgens ook tegen de ontbinding van haar huurovereenkomst. In een civiele procedure oordeelde de voorzieningenrechter op 23 juli 2025 dat zij de standplaats moest ontruimen, omdat voldoende aannemelijk was dat aan de voorwaarden voor buitengerechtelijke ontbinding was voldaan. Dat vonnis werd later, op 21 augustus 2025, in hoger beroep bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam. Wel loopt er nog een bodemprocedure bij de civiele rechter over die kwestie.
Op strafrechtelijk vlak kreeg de zaak deels een andere wending. De strafzaak tegen verzoekster is geseponeerd. Haar partner werd op 17 oktober 2025 door de strafrechter vrijgesproken van het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en hennep en ook van witwassen. Toch betekende dat volgens de voorzieningenrechter niet dat de eerdere civielrechtelijke oordelen over de ontbinding van de huurovereenkomst daarmee van tafel waren. De rechtbank zegt in deze procedure uit te gaan van de juridische stand van zaken zoals die volgt uit het arrest van het gerechtshof en het strafvonnis.
Dat punt is van belang, omdat de voorzieningenrechter juist op basis daarvan vaststelt dat er op dit moment geen huurovereenkomst meer bestaat tussen verzoekster en de gemeente voor een standplaats. Daarmee ontbreekt volgens de rechtbank een belangrijke basis onder haar verzoek om opnieuw een specifieke plek toegewezen te krijgen.
Nieuwe aanvraag voor vrijkomende standplaats
Op 28 november 2025 vroeg verzoekster het college om een besluit te nemen op haar aanvraag om in aanmerking te komen voor een standplaats op het [adres]. Het ging om een andere plaats op dezelfde locatie, namelijk nummer [nummer], de standplaats van haar zoon. Het college wees die aanvraag op 8 januari 2026 af. Volgens het college kwam zij op grond van de toewijzingsregels voor standplaatsen voor woonwagens niet voor die plek in aanmerking.
Daarop maakte de vrouw bezwaar en vroeg zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Zij wilde bereiken dat de standplaats niet aan een derde in gebruik zou worden gegeven zolang de bodemprocedure over de ontbinding van haar oude huurovereenkomst nog liep. De inzet van haar verzoek was dus niet alleen de afwijzing zelf, maar vooral het tijdelijk blokkeren van een nieuwe toewijzing aan iemand anders.
Tijdens de zitting van 24 februari 2026 waren verzoekster, haar gemachtigde, de gemachtigde van het college, haar partner en haar neef aanwezig. De voorzieningenrechter moest vervolgens beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen had. Alleen als dat aannemelijk zou zijn, kon dat reden zijn om het bestreden besluit voorlopig te schorsen.
Geen bestuursrechtelijk besluit
Een belangrijk juridisch twistpunt was de vraag of de afwijzing van de aanvraag wel een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekster stelde op zitting primair dat dit wel zo is. Volgens haar hing de toewijzing van de standplaats samen met een verdelingsbeslissing op grond van de Huisvestingsverordening 2024 en was dus sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling.
De voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. Volgens de rechtbank heeft het college voldoende toegelicht dat de gemeente hier handelt als eigenaar en verhuurder van de standplaatsen. De weigering om opnieuw aan verzoekster te verhuren is daarom geen bestuursrechtelijk besluit, maar een civiele aangelegenheid. Dat de verhuurder bij de aanbieding van een standplaats rekening moet houden met de toewijzingsregels uit de Huisvestingsverordening, maakt de weigering volgens de rechtbank nog niet tot een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daardoor staat tegen die weigering geen bezwaar open in de zin van de Awb.
Die overweging is de kern van de uitspraak. De rechtbank trekt daarmee een duidelijke grens tussen het publieke kader van woonruimteverdeling en de civielrechtelijke verhouding tussen gemeente als verhuurder en bewoner als huurder. Voor verzoekster betekent dat dat zij haar aanspraken op terugkeer naar een standplaats niet via deze bestuursrechtelijke route kan afdwingen.
Bezwaar wordt anders opgevat
Het college gaf tijdens de procedure wel aan het bezwaarschrift van verzoekster anders te zullen behandelen. De gemeente zal haar bezwaar tegen het weigeren van de standplaats beschouwen als een bezwaar tegen het weigeren van een huisvestingsvergunning. De bezwaarprocedure wordt op die manier voortgezet. Dat biedt verzoekster nog wel een bestuursrechtelijk spoor, maar dan specifiek rond de vergunning en niet rond de civiele weigering van de verhuur zelf.
Volgens de rechtbank volgt uit artikel 2.11.2 van de Huisvestingsverordening 2024 dat het verboden is een aangewezen standplaats zonder huisvestingsvergunning in gebruik te nemen of te geven. Zo’n vergunning wordt verleend als een huishouden volgens de geldende volgordebepaling als eerste voor de standplaats in aanmerking komt. Die wachtlijstsystematiek is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Nadere Regels. Daarnaast geldt dat een woningzoekende toestemming van de eigenaar moet hebben om de standplaats in gebruik te nemen.
Juist op dat laatste punt liep de aanvraag van verzoekster volgens de voorzieningenrechter vast. Uit de weigering van de standplaats blijkt immers al dat zij geen toestemming van de verhuurder heeft. Daarmee ontbreekt een noodzakelijke voorwaarde voor het krijgen van een huisvestingsvergunning.
Wachtlijst speelde ook een rol
Verzoekster voerde aan dat zij al dertig jaar een huurovereenkomst had en dat zij op grond van de Nadere Regels de eerste rechthebbende zou zijn voor een standplaats. Haar redenering was dat zij haar oude plek zou vrijmaken door door te schuiven naar de vrijkomende standplaats van haar zoon op dezelfde locatie. Daarmee zou volgens haar sprake zijn van een logische interne verschuiving binnen dezelfde woonwagenlocatie.
De voorzieningenrechter gaat daar in deze fase niet in mee. Los van het ontbreken van toestemming van de verhuurder, is volgens de rechtbank ook niet gebleken dat verzoekster op basis van de wachtlijst als eerste rechthebbende in aanmerking komt voor de vergunning. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting verklaard dat andere gegadigden hoger op de wachtlijst staan dan verzoekster. Dat hierover in het oorspronkelijke besluit niets was opgenomen, vindt de rechtbank op zichzelf juist, maar niet doorslaggevend. De procedure was immers gestart als aanvraag voor toewijzing van een standplaats en niet als aanvraag voor een huisvestingsvergunning. Daarom hoefde het besluit nog geen uitgebreide motivering over de wachtlijst te bevatten. De gemeente heeft wel toegezegd dat dit punt in de bezwaarfase kan worden besproken.
Daarmee laat de uitspraak zien dat verzoekster op twee fronten problemen heeft: civielrechtelijk ontbreekt op dit moment een huurrelatie en bestuursrechtelijk is niet aangetoond dat zij bovenaan de wachtlijst staat én beschikt over toestemming van de eigenaar. Beide lijnen maken haar positie in deze voorlopige procedure zwak.
Verzoek definitief afgewezen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Dat betekent dat het besluit van 8 januari 2026 niet wordt geschorst. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voor de vrouw betekent dit dat zij via deze spoedprocedure niet heeft kunnen voorkomen dat de standplaats beschikbaar komt voor verdere afhandeling door de gemeente. Tegelijk wijst de rechtbank erop dat overleg over een mogelijke terugkeer naar een standplaats moet plaatsvinden in de bodemprocedure over de ontbinding van de huurovereenkomst. Juist daar ligt volgens de voorzieningenrechter de kern van het conflict. De toewijzing van de standplaats zelf blijft namelijk in essentie een civielrechtelijke aangelegenheid.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.