DEN HAAG, 11 maart 2026 – De Hoge Raad behandelt een cassatiezaak over een poging tot diefstal met geweld bij een 87-jarige man. Centraal staan vragen over de betrouwbaarheid van herkenningen door de politie en de redelijke termijn.
De zaak draait om een incident op 18 maart 2017, waarbij een destijds 87-jarige bewoner in zijn woning werd overvallen. De verdachte, een man geboren in 1988, werd hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank grotendeels.
Twistpunt: Betrouwbaarheid van herkenning
De verdediging heeft in cassatie twee middelen voorgesteld. Een belangrijk punt van kritiek is de vermeende onbetrouwbaarheid van de herkenningen door politieagenten op basis van camerabeelden. De advocaat van de verdachte stelde dat er sprake zou zijn van ‘bias’ – vooroordeel – bij de verbalisanten die de verdachte op de beelden herkenden.
Daarnaast werd betoogd dat het gerechtshof onvoldoende heeft gereageerd op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over onder meer het kentekenonderzoek en overeenkomsten in kleding. De verdediging verzocht in het kader daarvan om een deskundige te benoemen die de camerabeelden kon beoordelen, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen.
Advies Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal (PG) bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie van 10 maart 2026 geadviseerd het beroep voor het grootste deel te verwerpen. Volgens de PG zijn de middelen van cassatie ongegrond
De PG wijst er in de conclusie op dat het hof de camerabeelden zelf ter zitting heeft bekeken en deze van voldoende kwaliteit achtte voor een betrouwbare herkenning. De beslissing om geen externe deskundige te benoemen, wordt door de PG dan ook als niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd bestempeld.
Schending redelijke termijn
Hoewel de PG adviseert de klachten over de bewijsvoering en de herkenningen te verwerpen, stelt hij wel vast dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden.
De conclusie strekt daarom tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De PG adviseert de Hoge Raad de straf te verminderen vanwege deze overschrijding, maar het cassatieberoep voor het overige te verwerpen.
De Hoge Raad zal in een latere uitspraak definitief beslissen over de zaak.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.