DEN HAAG, 11 februari 2026 – De Hoge Raad der Nederlanden heeft geoordeeld dat het middel D-Carvone niet is uitgezonderd van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden wanneer het wordt verkocht en gebruikt als gewasbeschermingsmiddel. Het cassatieberoep van een verdachte ondernemer is grotendeels verworpen. Alleen de opgelegde taakstraf is verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn
Geen uitzondering bij gebruik als gewasbeschermingsmiddel
In de zaak stond centraal of D-Carvone, een stof die ook als aroma kan worden gebruikt, buiten de toelatingsplicht viel. De verdediging stelde dat het middel onder een uitzonderingsregeling viel, omdat het binnen de werkingssfeer van een Europese aromarichtlijn zou vallen. De Hoge Raad volgt die redenering niet.
Volgens het hoogste rechtscollege geldt dat een stof alleen van de regels voor gewasbeschermingsmiddelen kan zijn uitgezonderd als zij wordt gebruikt voor het doel waarvoor de betreffende richtlijn geldt. In dit geval was D-Carvone echter verkocht en toegepast als kiemremmingsmiddel bij pootaardappelen. Daarmee valt het middel onder de Europese verordening voor gewasbeschermingsmiddelen en is een nationale toelating vereist.
Bevestiging eerdere veroordeling
Het gerechtshof had eerder vastgesteld dat de verdachte het middel meerdere keren op de markt had gebracht zonder toelating van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De Hoge Raad laat die inhoudelijke beoordeling in stand en ziet geen aanleiding om de uitspraak van het hof te vernietigen.
De klachten in cassatie leiden volgens de Hoge Raad niet tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling. Daarom is volstaan met een verkorte motivering.
Straf verminderd wegens lange duur procedure
Wel oordeelt de Hoge Raad dat de behandeling in cassatie te lang heeft geduurd. Daardoor is het recht op berechting binnen een redelijke termijn geschonden. Om die reden is de opgelegde taakstraf verminderd van 100 naar 90 uur, met een overeenkomstige verlaging van de vervangende hechtenis.
Betekenis voor de praktijk
De uitspraak onderstreept dat bij de verkoop en toepassing van stoffen in de landbouw niet alleen moet worden gekeken naar de chemische eigenschappen, maar vooral naar het beoogde gebruik. Wie een middel als gewasbeschermingsmiddel op de markt brengt, moet beschikken over een geldige toelating, ook als diezelfde stof in een andere context wel is toegestaan.