DEN HAAG โ Nederland moet zich veel sneller en ingrijpender aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Alleen technische oplossingen zoals pompen, gemalen, dijken en sluizen zijn volgens deltacommissaris Co Verdaas niet langer voldoende. Ook de inrichting van het land, het gebruik van landbouwgrond en de manier waarop inwoners omgaan met water moeten veranderen.
Verdaas heeft die boodschap maandag aan het kabinet overgebracht bij de presentatie van de tweede herijking van het Nationaal Deltaprogramma. De resultaten van het onderzoek naar de houdbaarheid van de Nederlandse wateraanpak werden aangeboden aan minister Karremans van Infrastructuur en Waterstaat.
De conclusie van de deltacommissaris is dat doorgaan op de huidige koers onvoldoende bescherming biedt tegen langere perioden van droogte, extreme regen, stijgende zeespiegels en hogere rivierafvoeren.
Droge zomer legt kwetsbaarheid opnieuw bloot
De uitzonderlijke droogte van afgelopen zomer, waarbij zoetwatertekorten en verzilting opnieuw problemen veroorzaakten, onderstreept volgens Verdaas de kwetsbaarheid van Nederland.
Door klimaatverandering zullen perioden met zeer weinig neerslag en extreem lage rivierafvoeren vaker voorkomen. Tegelijkertijd neemt ook het risico op langdurige regenval en zware hoosbuien toe.
Nederland staat internationaal bekend om zijn waterbeheer, maar volgens de deltacommissaris kan niet meer uitsluitend worden vertrouwd op technische systemen waarmee water wordt afgevoerd, tegengehouden of verdeeld.
Dat betekent onder meer dat rivieren meer ruimte moeten krijgen, water langer moet worden vastgehouden en geaccepteerd moet worden dat bepaalde gebieden verder verzilten.
Landbouw moet zich op sommige plaatsen aanpassen
De veranderingen kunnen rechtstreeks gevolgen hebben voor inwoners en ondernemers. In kwetsbare gebieden kan ander grondgebruik noodzakelijk worden. Op sommige plaatsen kan landbouw in de huidige vorm moeilijker worden door droogte, verzilting of perioden waarin water langer op landbouwgrond blijft staan.
Gebieden die daarbij nadrukkelijk worden genoemd zijn onder meer de Bollenstreek, de hoge zandgronden, de Noord-Hollandse kust en delen van Friesland en Groningen.
Het betekent dat niet overal meer dezelfde garanties kunnen worden gegeven voor voldoende zoetwater of het voorkomen van wateroverlast. In droge perioden kan minder water beschikbaar zijn, terwijl tijdens zeer natte perioden geaccepteerd moet worden dat water tijdelijk op het land blijft staan.
Miljarden nodig voor nieuwe pompen
Ook grote technische investeringen blijven noodzakelijk. Zo zijn volgens de herijking miljarden euro’s extra nodig voor nieuwe grote pompen bij IJmuiden en op termijn bij de Afsluitdijk.
Deze installaties moeten ervoor zorgen dat overtollig water ook bij een hogere zeespiegel naar zee kan worden afgevoerd.
Daarnaast moet Nederland volgens de deltacommissaris nu al beginnen met voorbereidingen voor een nieuwe generatie Deltawerken. Daaronder valt ook de toekomstige vervanging van de Maeslantkering.
Besluiten daarover kunnen grote gevolgen hebben voor het Rijn-Maasmondingsgebied en de ontwikkeling van de Rotterdamse haven.
Open verbinding met zee kwetsbaarder
De open verbinding tussen rivieren en Noordzee kan problematischer worden wanneer de zeespiegel stijgt en tegelijkertijd hogere rivierafvoeren voorkomen.
Bij lage rivierafvoeren ontstaat juist een ander probleem. Zout zeewater kan dan verder landinwaarts trekken via onder meer de Nieuwe Waterweg. Volgens de herijking moet verder worden onderzocht hoe deze verzilting in de toekomst het beste kan worden tegengegaan.
Langs de kust wordt daarnaast gekeken naar een grotere rol voor natuurlijke processen. Door zand en slib bij de overgang tussen zee en land vast te houden, kunnen gebieden ontstaan die als extra buffer tegen de zee functioneren.
Voor de grote rivieren geldt dat op verschillende knelpunten meer ruimte nodig is. Volgens de deltacommissaris moeten daarvoor al op korte termijn gebieden langs rivieren worden gereserveerd.
IJsselmeer nog belangrijker voor zoetwater
Een belangrijk onderdeel van de nieuwe aanpak betreft het IJsselmeer. Het meer is het grootste zoetwaterreservoir van Nederland en ongeveer de helft van het land is in droge perioden afhankelijk van dit water.
Tijdens langdurige droogte stroomt echter steeds minder rivierwater naar het IJsselmeer. Verdaas adviseert daarom het waterpeil stapsgewijs aan te passen, zodat een grotere zoetwatervoorraad beschikbaar blijft.
Een veranderend peil heeft wel gevolgen. Waterschappen moeten mogelijk waterinlaten aanpassen en ook jachthavens kunnen maatregelen moeten nemen om steigers bij verschillende waterstanden bereikbaar te houden.
Er zit bovendien een grens aan hoeveel extra water in het IJsselmeer kan worden opgeslagen. Een te hoog peil kan elders gevolgen hebben voor de waterveiligheid, onder meer rond Zwolle.
Stuw bij Driel moet flexibeler worden ingezet
Ook de verdeling van water over de grote rivieren moet volgens de herijking flexibeler worden.
Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de stuw bij Driel, die vanwege zijn invloed op de verdeling van Rijnwater ook wel de kraan van Nederland wordt genoemd. Het stuwprogramma moet beter kunnen inspelen op regionale en seizoensgebonden droogte.
In Zeeland moet tegelijkertijd de functie van het Volkerak-Zoommeer als zoetwaterbuffer worden versterkt. Het meer moet daarnaast kunnen worden ingezet voor tijdelijke opvang van overtollig water.
800 miljoen euro voor maatregelen tegen droogte
Voor de periode van 2021 tot en met 2027 hebben het Rijk, de waterschappen en andere overheden gezamenlijk 800 miljoen euro beschikbaar gesteld om de zoetwatervoorziening te verbeteren.
Daarmee worden onder meer waterbuffers aangelegd en beken aangepast zodat water langer in een gebied kan worden vastgehouden. Volgens de deltacommissaris hebben dergelijke maatregelen afgelopen zomer geholpen om de gevolgen van de droogte te beperken.
Na 2027 zijn echter opnieuw omvangrijke investeringen nodig.
Nederland onvoldoende voorbereid op extreme regen
Niet alleen droogte vormt een groeiend risico. Uit de herijking blijkt volgens de deltacommissaris ook dat Nederland onvoldoende is voorbereid op zeer zware regenval.
Hoosbuien kunnen veel meer veroorzaken dan ondergelopen straten. Langdurige extreme neerslag kan vitale infrastructuur raken en tot grote maatschappelijke schade leiden.
Na de extreme regenval in Limburg hebben regio’s onderzocht wat er zou gebeuren wanneer vergelijkbare hoeveelheden neerslag elders in Nederland vallen. Daaruit blijkt dat onder meer ziekenhuizen, elektriciteitsvoorzieningen en andere vitale locaties beter beschermd moeten worden.
Ook zijn meer gebieden nodig waar tijdelijk grote hoeveelheden water kunnen worden opgeslagen.
Klimaatverandering raakt ook natuur en inwoners
De veranderingen zullen uiteindelijk ook merkbaar worden in woonwijken. Woningen en openbare ruimte moeten beter worden voorbereid op hevige buien, waarbij water op straat kan blijven staan en kelders kunnen vollopen.
Ook natuurbeleid moet volgens de deltacommissaris rekening houden met een veranderend klimaat. Door verschuivende klimaatzones kunnen planten- en diersoorten zich naar andere gebieden verplaatsen of uit Nederland verdwijnen.
Sinds de start van het Nationaal Deltaprogramma in 2010 zijn de opgaven volgens de tweede herijking urgenter en ingewikkelder geworden. Tegelijkertijd neemt de strijd om de beperkte ruimte toe door woningbouw, landbouw, natuur, energie, infrastructuur en economische ontwikkeling.
Volgens Verdaas betekent dit dat Nederland niet alleen meer moet investeren in waterbeheer, maar fundamentele keuzes moet maken over waar en hoe in de delta wordt gewoond, gewerkt en geproduceerd.


