OIRSCHOT – Een man is maandag 19 oktober door de rechtbank in Den Bosch veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur wegens het medeplegen van de vrijheidsberoving van zijn minderjarige nichtje. Het meisje werd op 28 januari 2024 bij een tankstation in Oirschot onder dwang uit een auto gehaald en vervolgens in een andere auto meegenomen. De rechtbank spreekt van een ernstige inbreuk op haar persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit.
Meisje zat met vrienden in auto
Het incident vond plaats toen de verdachte samen met zijn neef op zoek was naar het minderjarige meisje. De neef, die de broer van het slachtoffer is, ontdekte dat zijn zusje bij een tankstation in Oirschot met drie jongens in een auto zat.
De broer reed naar het tankstation, trok het portier aan de bijrijderskant open en sommeerde zijn zusje op boze toon uit te stappen. Daarbij bedreigde hij de drie jongens, die vervolgens op de vlucht sloegen.
Het meisje werd daarna vastgepakt en tegen haar wil in de auto van haar broer gegooid. Vervolgens belde de broer zijn neef, de latere verdachte, met het verzoek naar het tankstation te komen.
Met meisje in auto weggereden
Toen de verdachte arriveerde, kreeg hij volgens de rechtbank van zijn neef de opdracht het meisje naar het bos te brengen. De verdachte stapte daarop in de auto waarin zijn nichtje zich bevond en reed weg.
Inmiddels was de politie na een melding ter plaatse gekomen. Meerdere politievoertuigen hadden het tankstation afgesloten. De verdachte reed aanvankelijk tegen de rijrichting in weg, keerde vervolgens en zette de auto op de parkeerplaats neer.
Een politieagent ontdekte het meisje in de auto. Zij verkeerde in een toestand van verminderd bewustzijn en zat ondersteboven, met haar hoofd naar beneden, klem tussen de achterbank en de voorstoelen.
Volgens de rechtbank is het aan het snelle optreden van de politie te danken dat het meisje korte tijd later kon worden bevrijd.
Verdachte ontkende wetenschap van aanwezigheid
Tijdens de rechtszaak verklaarde de verdachte dat hij niet wist dat zijn nichtje zich in de auto bevond. Zijn advocaat pleitte daarom voor vrijspraak.
De rechtbank vond die verklaring ongeloofwaardig. Uit verklaringen bleek dat de broer uitdrukkelijk tegen de verdachte had gezegd dat het meisje in de auto zat en dat hij haar naar het bos moest brengen.
Bovendien was de verdachte volgens zijn eigen verklaring al de hele dag op zoek naar zijn nichtje. Hij was juist naar het tankstation gekomen omdat zijn neef had verteld dat zij daar was.
De rechtbank concludeerde dat beide mannen bewust hadden samengewerkt bij de vrijheidsberoving.
Openbaar Ministerie eiste gevangenisstraf
De officier van justitie had een gevangenisstraf van 304 dagen geëist, waarvan 182 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
De rechtbank kwam tot een aanzienlijk lichtere straf. Daarbij speelde mee dat de verdachte niet aanwezig was toen zijn nichtje uit de eerste auto werd gehaald en ook niet actief deelnam aan het geweld.
Volgens de rechters had hij een duidelijk kleinere rol dan zijn neef. Wel had hij moeten begrijpen dat sprake was van een ernstige situatie.
Toen hij bij het tankstation aankwam, trof hij volgens het vonnis een woedende neef aan, een auto met kapotte ruiten en een van de vrienden van het meisje bloedend op de grond.
Desondanks besloot hij met het meisje in de auto weg te rijden.
Strafvermindering door lange duur rechtszaak
Bij het bepalen van de straf hield de rechtbank ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij was niet eerder veroordeeld en had sinds het incident, voor zover bekend, geen nieuwe strafbare feiten gepleegd.
Daarnaast duurde de strafprocedure te lang. Volgens de rechtbank werd de redelijke termijn voor berechting met ongeveer negen maanden overschreden.
Door die omstandigheden en zijn kleinere aandeel in de vrijheidsberoving vond de rechtbank een taakstraf van 200 uur passend.
Als de veroordeelde de taakstraf niet uitvoert, kan vervangende hechtenis van maximaal 100 dagen volgen. De tijd die hij eerder in verzekering heeft doorgebracht, wordt volgens de wettelijke regels op de straf in mindering gebracht.
Het vonnis werd op 19 oktober 2026 uitgesproken.



