HAARLEM – Een jeugdige verdachte is donderdag 15 oktober door de rechtbank in Haarlem veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk. De jongere had samen met anderen een levensgevaarlijke combinatie van zwaar vuurwerk en benzine voorhanden in een appartement in Heerhugowaard. Het explosief werd door een ander aangestoken, waardoor een explosie en brand ontstonden in het appartementencomplex. De verdachte is daarnaast veroordeeld voor diefstal met geweld, schuldwitwassen en vernieling.

Explosie veroorzaakt grote schade en angst

Op 10 april 2025 had de verdachte in Heerhugowaard samen met anderen een zogenoemde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) voorhanden. Het ging om een jerrycan met benzine waaraan meerdere Cobra's, een soort zwaar vuurwerk, waren bevestigd.

Een dergelijke combinatie wordt volgens de Wet wapens en munitie aangemerkt als een verboden wapen. Door de aanwezigheid van brandstof en zwaar explosief vuurwerk ontstaat een bijzonder gevaarlijke situatie.

De combinatie bevond zich in de woning van de verdachte en werd uiteindelijk door iemand anders aangestoken. Daardoor ontstonden een explosie en brand in het appartementencomplex.

Volgens de rechtbank heeft het incident grote gevolgen gehad voor de bewoners, omwonenden en andere betrokkenen. De levens van bewoners van het appartementencomplex zijn hierdoor ingrijpend veranderd.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het explosief in zijn woning aanwezig liet zijn en niet ingreep. Daarmee heeft hij bijgedragen aan de gevaarlijke situatie die uiteindelijk tot de explosie leidde.

Diefstal met geweld in Haarlem

Naast het verboden wapenbezit stond de jongere terecht voor drie andere strafbare feiten.

Op 21 februari 2026 stal hij kledingstukken uit een winkel in Haarlem. Toen hij werd betrapt, gebruikte hij geweld tegen een andere persoon. Hij duwde het slachtoffer en maakte een slaande beweging om met de gestolen kleding te kunnen ontkomen.

De rechtbank acht bewezen dat sprake was van diefstal met geweld. Daarbij speelde mee dat het geweld werd gebruikt om de diefstal gemakkelijker te maken en de vlucht mogelijk te maken.

Scooter van 50 euro bleek verdacht

Een derde strafbaar feit speelde zich af op 28 maart 2025 in Alkmaar. De verdachte had een scooter in zijn bezit die afkomstig was uit een misdrijf.

Volgens zijn eigen verklaring had hij de scooter tijdelijk van een vriend gekregen om deze in zijn fietsenstalling onder te brengen. In ruil daarvoor mocht hij op het voertuig rijden.

De verdachte wist dat zijn vriend slechts 50 euro voor de scooter had betaald. Zijn advocaat stelde dat de jongere niet wist dat er iets mis was met het voertuig.

De rechtbank ging niet mee in die verklaring. Alleen al de bijzonder lage aankoopprijs had volgens de rechters aanleiding moeten zijn om vragen te stellen.

Daarbij verkeerde de scooter in goede staat en beschikte de verdachte niet over het kentekenbewijs. Ook wist hij niet wie dat document wel in bezit had.

Volgens de rechtbank had de jongere onder deze omstandigheden redelijkerwijs moeten vermoeden dat de scooter afkomstig was van diefstal. Daarom is sprake van schuldwitwassen.

Televisie en spiegel vernield

Het vierde bewezen verklaarde strafbare feit vond plaats op 16 juni 2025 in Alkmaar.

De verdachte vernielde daar opzettelijk een televisie en een spiegel die eigendom waren van een jeugdhulpinstantie.

De rechtbank stelt vast dat de jongere met zijn handelen herhaaldelijk heeft laten zien onvoldoende respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van anderen.

Openbaar Ministerie eiste jeugddetentie

Het Openbaar Ministerie had een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand geëist, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast wilde de officier van justitie dat de verdachte een werkstraf van 100 uur zou uitvoeren.

De verdediging vroeg om een geheel voorwaardelijke werkstraf. Volgens de advocaat moest rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de jongere en de pogingen die hij onderneemt om zijn leven te verbeteren.

De rechtbank besloot uiteindelijk geen voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.

Wel benadrukken de rechters dat de ernst van de strafbare feiten een stevige straf rechtvaardigt. Vooral het bezit van de explosieve combinatie in een bewoond appartementencomplex wordt de verdachte zwaar aangerekend.

Persoonlijke omstandigheden wegen mee

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte niet eerder door een rechtbank is veroordeeld.

Daarnaast heeft hij tijdens het politieonderzoek en de rechtszitting openheid van zaken gegeven. Volgens de rechtbank heeft hij verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en laten zien dat hij begrijpt hoe ernstig zijn gedrag is geweest.

Uit een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat de jongere momenteel onvoldoende stabiliteit in zijn leven heeft.

Zo ontbreekt het hem aan belangrijke basisvoorzieningen, waaronder een vaste verblijfplaats. Daardoor wordt het risico op herhaling op dit moment als midden tot zeer hoog beoordeeld.

Tegelijkertijd ziet de Raad mogelijkheden om met begeleiding en hulpverlening verbetering te bereiken. De verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om zijn leven een andere richting te geven.

De rechtbank heeft verder meegewogen dat de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet worden behandeld in twee van de vier zaken is overschreden.

Werkstraf en twee jaar toezicht

De rechtbank heeft uiteindelijk een werkstraf van 180 uur opgelegd. Daarvan zijn 100 uur onvoorwaardelijk en 80 uur voorwaardelijk.

Het voorwaardelijke gedeelte hoeft de jongere niet uit te voeren wanneer hij zich gedurende de proeftijd van twee jaar aan de opgelegde voorwaarden houdt.

De vier dagen die hij eerder in verzekering heeft doorgebracht, worden volgens de wettelijke regeling in mindering gebracht op het uit te voeren deel van de werkstraf. Per dag geldt daarbij een vermindering van twee uur.

Het onvoorwaardelijke gedeelte moet binnen negen maanden nadat het vonnis onherroepelijk is geworden zijn afgerond.

Verplicht begeleid wonen en hulpverlening

Aan de voorwaardelijke straf zijn verschillende bijzondere voorwaarden verbonden.

De verdachte moet zich melden bij de jeugdreclassering en meewerken aan het toezicht. Daarnaast moet hij, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk vindt, verblijven in een instelling voor begeleid of beschermd wonen, een maatschappelijke opvang of een andere passende woonvoorziening.

Ook is hij verplicht mee te werken aan coaching en eventuele aanvullende hulpverlening. Daarbij kan onder meer aandacht worden besteed aan zijn middelengebruik.

Verder moet hij werken aan een positieve en stabiele daginvulling, bijvoorbeeld door onderwijs te volgen of werk te zoeken.

De jeugdreclassering krijgt de opdracht toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en de jongere daarbij te begeleiden.

Volgens de rechtbank is het belangrijk dat de verdachte de komende periode de gelegenheid krijgt zijn leven op orde te brengen. De rechters achten een deels voorwaardelijke werkstraf daarom passender dan jeugddetentie.

Wanneer de jongere opnieuw strafbare feiten pleegt of zich niet aan de voorwaarden houdt, kan alsnog worden besloten dat hij het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf moet uitvoeren.