GRONINGEN – De minister van Asiel en Migratie moet opnieuw onderzoeken of een Tanzaniaanse vrouw al sinds december 2018 recht had op een verblijfsvergunning. De vrouw kreeg begin 2026 alsnog asiel vanwege haar homoseksuele geaardheid en de problemen die zij daardoor in Tanzania ondervond. Volgens de rechter in Groningen heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met nieuwe medische informatie waaruit blijkt dat ernstige trauma's haar eerdere verklaringen kunnen hebben beïnvloed.
De vrouw diende op 12 december 2018 haar eerste asielaanvraag in. Zij verklaarde homoseksueel te zijn en daardoor in haar thuisland problemen te hebben ondervonden. De minister vond haar verklaringen destijds te vaag en onvoldoende gedetailleerd. De aanvraag werd op 21 november 2019 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Ernstige trauma's en PTSS
In december 2020 diende de vrouw opnieuw een asielaanvraag in, maar die werd buiten behandeling gesteld. Op 20 maart 2024 volgde een nieuwe aanvraag, waarbij zij aanvullende documenten en medische informatie overlegde.
Een psychologisch rapport uit maart 2024 beschrijft dat de vrouw ernstig getraumatiseerd is en aan meervoudige posttraumatische stressstoornis (PTSS) lijdt.
Volgens de betrokken psycholoog is geen sprake van simulatie. Door haar psychische toestand kan bovendien niet worden verwacht dat zij altijd consistente en samenhangende verklaringen aflegt.
Ook werden documenten overgelegd die volgens de vrouw aantonen dat zij in Tanzania vanwege haar seksuele geaardheid wordt vervolgd.
Asielvergunning alsnog verleend
Op 23 januari 2026 besloot de minister de nieuwe asielaanvraag alsnog goed te keuren. De vrouw kreeg een verblijfsvergunning met als ingangsdatum 20 maart 2024.
Daarmee nam zij geen genoegen. Volgens haar bestonden de omstandigheden die aanleiding vormden voor de vergunning al toen zij in december 2018 voor het eerst bescherming in Nederland vroeg.
De vrouw verzocht daarom om herziening van de oorspronkelijke afwijzing en een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.
De minister wees dat verzoek af. Volgens de bewindsman was de nieuwe informatie pas tijdens de aanvraag van 2024 ingebracht en was onvoldoende aangetoond waarom dit niet eerder had gekund.
Nieuwe asielregels geen belemmering
Tijdens de rechtszaak beriep de minister zich bovendien op gewijzigde asielwetgeving die op 12 juni 2026 in werking trad.
Volgens de minister worden asielvergunningen sindsdien in beginsel verleend vanaf de dag na bekendmaking van het positieve besluit. Daardoor zou de vrouw geen belang meer hebben bij haar rechtszaak over een eerdere ingangsdatum.
De rechter verwerpt die redenering.
Er bestaat volgens de uitspraak een belangrijk onderscheid tussen een nieuwe asielaanvraag en het opnieuw beoordelen van een eerder genomen besluit.
Bij een bestuurlijke heroverweging kan alsnog blijken dat iemand al jaren eerder aan de voorwaarden voor bescherming voldeed. De gewijzigde wetgeving verhindert niet dat in zo'n geval een eerdere ingangsdatum wordt vastgesteld.
Minister moet opnieuw onderzoek doen
De rechter oordeelt dat de minister de medische rapportage en andere documenten ten onrechte onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de oorspronkelijke asielaanvraag.
Dat de vrouw destijds moeilijk over haar seksuele geaardheid kon verklaren, betekent volgens de rechter niet automatisch dat haar verklaringen ongeloofwaardig waren.
De nieuwe informatie moet worden beoordeeld in samenhang met de verklaringen die zij tijdens de eerdere procedure heeft afgelegd.
Daarbij moet worden onderzocht of de vrouw vanwege haar persoonlijke omstandigheden destijds niet in staat was de noodzakelijke informatie te verstrekken.
Nog geen vergunning vanaf 2018
De uitspraak betekent niet dat de vrouw automatisch een verblijfsvergunning krijgt met ingang van 12 december 2018.
De minister moet eerst opnieuw inhoudelijk beoordelen of zij op die datum daadwerkelijk aan alle voorwaarden voor asiel voldeed.
De rechter heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.
Daarnaast moet de minister de proceskosten van de vrouw vergoeden. Die zijn vastgesteld op 1.814 euro.



