GRONINGEN – Een Algerijnse man die sinds 7 augustus 2026 in vreemdelingenbewaring zit, mag voorlopig niet worden vrijgelaten. De rechtbank heeft bepaald dat de Nederlandse autoriteiten voldoende voortgang boeken bij zijn uitzetting naar Algerije. De man wilde zijn vrijlating afdwingen omdat hij naar eigen zeggen meewerkt aan zijn terugkeer en de detentie hem zwaar valt. Volgens de rechter is een meldplicht echter onvoldoende om te voorkomen dat hij zich aan uitzetting onttrekt.
De rechtbank heeft het beroep van de man ongegrond verklaard. Ook zijn verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Daarmee blijft de maatregel van vreemdelingenbewaring van kracht.
De uitspraak is op 26 oktober 2026 openbaar gemaakt door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen.
Sinds augustus in vreemdelingenbewaring
De minister van Asiel en Migratie liet de Algerijnse man op 7 augustus 2026 in vreemdelingenbewaring stellen. Deze maatregel wordt gebruikt om de beschikbaarheid van een vreemdeling voor uitzetting te waarborgen.
De man ging eerder al tegen zijn detentie in beroep. Op 19 augustus oordeelde de rechtbank dat de bewaring rechtmatig was.
In de nieuwe procedure stond daarom uitsluitend de vraag centraal of het voortzetten van de bewaring na de eerdere beoordeling nog steeds gerechtvaardigd was.
De rechtbank onderzocht daarbij of de uitzetting binnen een redelijke termijn mogelijk blijft en of de Nederlandse autoriteiten voldoende voortvarend handelen.
Presentatie bij ambassade ging anders dan gepland
De Algerijnse man wees erop dat een geplande persoonlijke presentatie bij de Algerijnse autoriteiten op 24 september niet kon doorgaan vanwege ziekte.
Desondanks werd hij die dag schriftelijk gepresenteerd bij de Algerijnse vertegenwoordiging.
Volgens de voortgangsrapportage heeft de Algerijnse ambassade vervolgens mondeling toegezegd een laissez-passer af te geven.
Dat is een tijdelijk reisdocument waarmee iemand zonder geldig paspoort naar het land van herkomst kan terugkeren.
De rechtbank beschouwt deze toezegging als een belangrijke aanwijzing dat uitzetting naar Algerije daadwerkelijk mogelijk is.
Man zegt mee te werken aan terugkeer
De man voerde aan dat hij bereid is mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland. Volgens hem heeft hij daarvoor zelf al stappen ondernomen.
Hij vond daarom dat verdere vrijheidsontneming niet noodzakelijk was.
Daarnaast verklaarde hij dat de vreemdelingenbewaring hem zwaar valt. Hij vroeg de rechtbank om een minder ingrijpende maatregel toe te passen.
Als alternatief stelde hij een meldplicht voor. Daarbij zou hij zich op afgesproken momenten bij de autoriteiten moeten melden, terwijl hij buiten de detentievoorziening kon verblijven.
De man verklaarde zich aan een dergelijke verplichting te zullen houden.
Rechtbank ziet nog steeds risico op onderduiken
De rechter ging niet mee in het verzoek om de vreemdelingenbewaring te vervangen door een meldplicht.
In de eerdere procedure was al vastgesteld dat het risico bestaat dat de man zich aan het toezicht onttrekt.
Volgens de rechtbank heeft hij in de nieuwe procedure geen omstandigheden aangevoerd die voldoende aanleiding geven om dat oordeel te veranderen.
Dat de man verklaart te willen meewerken aan zijn terugkeer, betekent volgens de rechter niet automatisch dat het risico op onderduiken is verdwenen.
Ook de mededeling dat de detentie hem zwaar valt, is onvoldoende om een minder ingrijpende maatregel noodzakelijk te achten.
Minister ondernam meerdere stappen
De rechtbank onderzocht ook of de minister van Asiel en Migratie voldoende inspanningen had geleverd om de uitzetting daadwerkelijk te realiseren.
Uit het dossier blijkt dat de Nederlandse autoriteiten op 20 augustus, 8 september en 30 september schriftelijk navraag hebben gedaan naar de voortgang.
Daarnaast vonden drie vertrekgesprekken met de Algerijnse man plaats. Het laatste gesprek werd op 22 september gehouden.
Ook werd contact onderhouden met de Algerijnse vertegenwoordiging over de afgifte van het noodzakelijke reisdocument.
Volgens de rechter blijkt hieruit dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Er is daarom geen sprake van een situatie waarin de man zonder concrete vooruitgang langdurig wordt vastgehouden.
Uitzetting naar Algerije blijft mogelijk
Een belangrijke voorwaarde voor vreemdelingenbewaring is dat er voldoende zicht moet bestaan op daadwerkelijke uitzetting.
Wanneer terugkeer naar het land van herkomst binnen een redelijke termijn niet mogelijk is, kan voortzetting van de bewaring onrechtmatig worden.
In deze zaak ziet de rechtbank daarvoor geen aanwijzingen.
Volgens eerdere rechtspraak bestaat in algemene zin voldoende zicht op uitzetting naar Algerije.
Ook in het individuele geval van deze man zijn geen omstandigheden vastgesteld die tot een andere conclusie leiden.
De mondelinge toezegging van de Algerijnse vertegenwoordiging om een laissez-passer af te geven, ondersteunt volgens de rechtbank het vooruitzicht op terugkeer.
Geen schadevergoeding voor detentie
De Algerijnse man had naast zijn beroep ook om schadevergoeding gevraagd.
Die vergoeding zou aan de orde kunnen zijn wanneer de rechtbank vaststelt dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is geweest.
Daarvan is volgens de rechter geen sprake.
De rechtbank concludeert dat de maatregel sinds de eerdere beoordeling steeds aan de wettelijke voorwaarden heeft voldaan.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Ook hoeft de minister geen proceskostenvergoeding te betalen.
Geen nieuwe beroepsmogelijkheid
Met de uitspraak blijft de vreemdelingenbewaring voorlopig voortduren, terwijl de autoriteiten werken aan de afgifte van het reisdocument en de daadwerkelijke terugkeer naar Algerije.
De rechtbank heeft geen datum vastgesteld waarop de uitzetting moet plaatsvinden.
Ook betekent de uitspraak niet dat de man onbeperkt mag worden vastgehouden. De wettelijke voorwaarden voor vreemdelingenbewaring moeten gedurende de detentie van toepassing blijven.
Tegen deze specifieke uitspraak staat volgens de rechtbank geen rechtsmiddel open.
De beslissing onderstreept dat medewerking aan terugkeer en de persoonlijke belasting van detentie belangrijke omstandigheden kunnen zijn, maar niet automatisch tot vrijlating leiden.
Zolang er voldoende zicht bestaat op uitzetting, de autoriteiten voortvarend handelen en een reëel risico op onttrekking aan toezicht aanwezig blijft, kan vreemdelingenbewaring volgens de rechter gerechtvaardigd zijn.




