DEN HAAG – Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft dinsdag 20 oktober 2026 een eerdere uitspraak over mestboetes voor een jongveebedrijf hersteld. De rechter had het ministerie van Landbouw ten onrechte veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Die vergoeding vervalt. De eerder vastgestelde boetes van 2.603,16 euro over 2018 en 36.017,60 euro over 2019 blijven ongewijzigd.

De zaak draait om een maatschap die jongvee fokt voor gespecialiseerde melkveebedrijven. Het bedrijf werd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gecontroleerd op naleving van de Meststoffenwet en de voorwaarden voor derogatie.

Derogatie maakte het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om meer stikstof uit dierlijke mest op landbouwgrond te gebruiken dan volgens de algemene Europese norm was toegestaan.

Bij controles over 2018 en 2019 constateerde de NVWA overtredingen van de mestgebruiksnormen. De bevindingen werden vastgelegd in rapporten van maart en april 2020.

Overschrijding mestnormen

Voor 2018 stelde het ministerie vast dat het jongveebedrijf de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen had overschreden. Ook zou het bemestingsplan niet naar waarheid zijn opgesteld.

De derogatievergunning voor dat jaar werd ingetrokken. Daarnaast werd het bedrijf uitgesloten van deelname aan derogatie in 2022. De aanvankelijk opgelegde, al gematigde boete bedroeg 3.253,95 euro.

Voor 2019 stelde het ministerie meerdere overtredingen vast. Volgens de berekeningen was de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 10.063 kilogram overschreden. Daarnaast ging het om een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 1.025 kilogram en de fosfaatgebruiksnorm met 3.821 kilogram.

Ook voor dat jaar werd de derogatievergunning ingetrokken. De opgelegde boete bedroeg aanvankelijk 45.022 euro.

Boerenbedrijf betwist berekening mestproductie

De maatschap was het niet eens met de berekeningen van het ministerie en stapte naar de rechter.

Volgens het bedrijf was de daadwerkelijke mestproductie lager dan de hoeveelheid waarmee de overheid rekende. De ondernemer had daarom een eigen berekening opgesteld, gebaseerd op de hoeveelheid opgenomen veevoer en de voedingsstoffen die door de groei van de dieren worden vastgelegd.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde op 25 augustus 2026 echter dat het bedrijf onvoldoende controleerbare gegevens had aangeleverd om afwijking van de wettelijke forfaitaire normen te rechtvaardigen.

Zo ontbraken oorspronkelijke analyseresultaten en gewichtsbepalingen van het zelf geteelde veevoer. Daardoor kon onvoldoende worden vastgesteld hoeveel voer daadwerkelijk aan het jongvee was verstrekt.

Ook het argument dat op het bedrijf meer stikstof via gasvormige verliezen verdween dan waarmee het ministerie rekening had gehouden, werd afgewezen.

Volgens de rechters wordt bij de wettelijke normen voor graasdieren al rekening gehouden met dergelijke verliezen.

Opgegeven mestvoorraad niet betrouwbaar

Het jongveebedrijf stelde daarnaast dat de berekende voorraad vaste mest in werkelijkheid niet aanwezig was.

Volgens de maatschap was door de gehanteerde berekeningsmethode een papieren mestvoorraad ontstaan. Met onder meer satellietbeelden probeerde het bedrijf aan te tonen dat deze mest niet daadwerkelijk aanwezig kon zijn geweest.

De rechter ging daar niet in mee. De maatschap had de beginvoorraad zelf opgegeven. Als daarbij bewust onjuiste gegevens waren verstrekt, kon dat volgens het College niet worden gerechtvaardigd met een verwijzing naar problemen met de wettelijke berekeningen.

Het hoger beroep van het boerenbedrijf slaagde daarom inhoudelijk niet.

Boetes verlaagd vanwege lange procedure

Toch werden de boetes in de uitspraak van 25 augustus 2026 verder verlaagd. De reden daarvoor was dat de juridische procedure te lang had geduurd.

De termijn begon op 9 juli 2020, toen het ministerie de voorgenomen boetes bekendmaakte.

Volgens het College was de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met twee jaar en zes maanden overschreden.

De rechtbank had de boetes eerder al verminderd tot 2.765,86 euro over 2018 en 38.268,70 euro over 2019.

Vanwege de verdere vertraging besloot het College tot een aanvullende matiging van vijf procent, berekend over de oorspronkelijke boetebedragen.

Daardoor werden de definitieve boetes vastgesteld op 2.603,16 euro voor 2018 en 36.017,60 euro voor 2019.

Fout in uitspraak van augustus

Na de uitspraak van 25 augustus ontdekte het ministerie dat de rechter in de beslissing ten onrechte ook een proceskostenvergoeding had toegekend.

Op 4 september 2026 wees het ministerie het College op deze fout.

De rechter stelde vervolgens vast dat de uitspraak inderdaad een onjuistheid bevatte. De verdere verlaging van de boetes wegens de overschrijding van de redelijke termijn was namelijk op eigen initiatief van het College toegepast.

Volgens de rechter waren daardoor geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kwamen.

De maatschap maakte bezwaar tegen het herstel van de uitspraak, maar het College vond de fout zo duidelijk dat deze alsnog moest worden gecorrigeerd.

Geen proceskosten, wel griffierecht terug

In de hersteluitspraak van 20 oktober 2026 schrapt het College daarom de eerder toegekende proceskostenvergoeding.

De inhoudelijke beoordeling van de overtredingen en de vastgestelde boetebedragen blijven ongewijzigd.

Wel krijgt het jongveebedrijf het betaalde griffierecht van 559 euro terug.

De zaak laat zien dat ondernemers die wettelijke mestproductieberekeningen willen bestrijden, hun afwijkende berekeningen met voldoende concrete en controleerbare bedrijfsgegevens moeten onderbouwen.

Ook bevestigt de uitspraak dat langdurige juridische procedures aanleiding kunnen zijn om bestuurlijke boetes te verlagen, zonder dat daarmee automatisch recht op een proceskostenvergoeding ontstaat.