DEN HAAG – Een gemeenteraadslid van PRO moet publiekelijk zijn beschuldigingen aan het adres van de eigenaar van een attractiepark rechtzetten. Het raadslid beschuldigde de ondernemer onder meer van vastgoedspeculatie en het omkopen van politieke partijen. Volgens de rechtbank Den Haag ontbrak voor deze beschuldigingen een voldoende feitelijke onderbouwing. De voorzieningenrechter heeft dinsdag 20 oktober 2026 bepaald dat het raadslid een rectificatie moet plaatsen op Instagram en LinkedIn.
De rechtszaak draait om een attractiepark dat op 21 juli 2026 voor het publiek werd geopend. De nieuwe eigenaar had het voormalige, nooit geopende pretpark op 21 april 2026 via een executieveiling overgenomen.
De ondernemer wil op het terrein een plek creëren waar kinderen in een prikkelarme omgeving kunnen spelen, ontdekken en leren. Ook biedt het park gezond eten tegen lage prijzen aan. Kinderen uit de omliggende wijk kregen in de eerste week na de opening gratis toegang.
Het attractiepark bevindt zich echter op grond waarvan het erfpachtcontract op 31 december 2030 afloopt. De gemeenteraad heeft eerder een motie aangenomen om na afloop van die periode op de locatie te streven naar betaalbare woningen, werkgelegenheid en maatschappelijke voorzieningen.
Raadslid spreekt van keiharde speculant
Het raadslid, dat zich inzet voor betaalbare woningbouw, uitte op 22 april 2026 tijdens een interview met Rijnmond stevige kritiek op de nieuwe eigenaar.
Hij noemde de ondernemer een 'spijkerharde speculant' en stelde dat deze het attractiepark uiteindelijk wilde slopen om er peperdure woningen te bouwen.
Volgens het raadslid zou de ondernemer zich voordoen als iemand die iets goeds wilde betekenen voor de kinderen in de wijk, terwijl het hem in werkelijkheid uitsluitend om geld zou gaan.
De eigenaar voelde zich door deze uitspraken ernstig in zijn integriteit en betrouwbaarheid aangetast. Volgens hem werd ten onrechte de indruk gewekt dat hij kinderen en omwonenden bewust misleidde om zichzelf financieel te verrijken.
Beschuldiging van omkoping politieke partijen
Het conflict escaleerde toen het raadslid op 21 augustus 2026 in een interview op het YouTube-kanaal Pretparkuur beweerde dat de ondernemer politieke partijen had proberen om te kopen.
Het raadslid stelde dat de ondernemer zowel de Partij voor de Dieren als het CDA ieder 100.000 euro had gedoneerd om hun stemgedrag te beïnvloeden.
Tijdens de juridische procedure erkende het raadslid dat deze beschuldiging niet juist was. Hij gaf toe dat de vermeende donaties niet waren bedoeld om stemgedrag te beïnvloeden.
In een video op Instagram van 4 oktober 2026 kwam hij eveneens terug op zijn eerdere uitspraak. Volgens de rechter was die toelichting echter onvoldoende om als rectificatie te gelden.
Rechter: beschuldigingen onvoldoende onderbouwd
De rechtbank stelt vast dat het raadslid zijn beschuldigingen over de plannen van de ondernemer niet met concrete feiten heeft onderbouwd.
Zo zijn er geen aanwijzingen dat de eigenaar van plan is op het terrein dure woningen te bouwen. Integendeel, de ondernemer wil volgens de stukken juist proberen het attractiepark ook na 2030 open te houden.
Volgens eigen zeggen heeft de eigenaar inmiddels 18 miljoen euro geïnvesteerd in het attractiepark. Ook staat vast dat kinderen uit de wijk tijdelijk gratis toegang kregen en dat de prijzen voor eten bewust laag zijn gehouden.
De rechter vindt daarom dat het raadslid te ver is gegaan door de ondernemer zonder voldoende feitelijke grondslag neer te zetten als iemand die uitsluitend uit is op financieel gewin.
Ook de beschuldiging van politieke omkoping is volgens de rechtbank onrechtmatig. Daarmee werd de ondernemer ten onrechte beschuldigd van een ernstig strafbaar feit.
Vrijheid van meningsuiting kent grenzen
De voorzieningenrechter benadrukt dat politici een ruime vrijheid van meningsuiting hebben. In het politieke debat mogen zij scherpe, kwetsende en zelfs schokkende uitspraken doen.
Die bescherming betekent echter niet dat politici zonder feitelijke onderbouwing beschuldigingen mogen uiten die de eer en goede naam van anderen aantasten.
Volgens de rechtbank presenteerde het raadslid zijn beschuldigingen als feiten in plaats van als persoonlijke meningen.
Ook de immuniteit die gemeenteraadsleden genieten voor uitspraken tijdens raadsvergaderingen biedt in dit geval geen bescherming. De betreffende beschuldigingen werden namelijk gedaan tijdens interviews buiten de gemeenteraad.
Rectificatie op Instagram en LinkedIn
De rechtbank verplicht het raadslid om binnen 72 uur na betekening van het vonnis een rectificatie te publiceren op zijn Instagram- en LinkedIn-account.
Daarin moet hij erkennen dat zijn uitspraken over de vermeende vastgoedspeculatie, de bedoelingen van de ondernemer en de beschuldiging van politieke omkoping door de rechter onrechtmatig zijn verklaard.
De rectificatie moet als een nieuw bericht worden geplaatst, zonder aanvullend commentaar.
De ondernemer had verder geëist dat het raadslid verschillende nieuwsmedia zou verzoeken de rectificatie over te nemen. Ook wilde hij een verbod op vergelijkbare toekomstige uitspraken en een dwangsom van 17.500 euro per overtreding.
Die eisen wijst de rechter af. Een dergelijke beperking zou volgens de rechtbank te ver ingrijpen in de vrijheid van meningsuiting en het politieke debat over de toekomst van het terrein.
Geen sprake van misbruik van procesrecht
Het raadslid stelde tijdens de procedure dat sprake was van een zogenoemde SLAPP, een strategische rechtszaak waarmee kritische uitingen en publieke participatie worden tegengewerkt.
De rechter verwerpt dit verweer. Omdat de beschuldigingen daadwerkelijk onrechtmatig zijn en een rectificatie gerechtvaardigd is, is geen sprake van een kennelijk ongegronde vordering of misbruik van procesrecht.
Het raadslid moet bovendien 1.858,94 euro aan proceskosten betalen.
De discussie over de toekomst van het attractiepark blijft daarmee bestaan. Het erfpachtcontract loopt eind 2030 af en de ondernemer en het raadslid hebben nog altijd verschillende opvattingen over de bestemming van het terrein.
De uitspraak onderstreept dat ook binnen een fel politiek debat grenzen gelden wanneer persoonlijke beschuldigingen niet met feiten kunnen worden onderbouwd.




