DEN BOSCH – Akkerbouwers die gewassen verbouwen in de omgeving van Natura 2000-gebieden kunnen daarvoor een afzonderlijke natuurvergunning nodig hebben. Dat geldt onder meer wanneer bestrijdingsmiddelen of beregeningsinstallaties gevolgen kunnen hebben voor beschermde natuur. De rechtbank in Den Bosch waarschuwt dat de vergunningplicht mogelijk betrekking heeft op een groot aantal landbouwpercelen in Nederland. Tegelijkertijd oordeelt de rechtbank dat een akkerbouwbedrijf en de bijbehorende landbouwgronden niet altijd als één project hoeven te worden beschouwd.

Dat blijkt uit een uitspraak van 20 oktober 2026 over een agrarisch bedrijf in Noord-Brabant. De zaak draait om een voormalige veehouderij die gedeeltelijk is beëindigd en wordt omgeschakeld naar een bedrijf dat ondersteunende werkzaamheden voor de akkerbouw verricht.

Het bedrijf ligt op ongeveer 280 meter van een Natura 2000-gebied.

Vergunning voor landbouwmachines en gebouwen

De agrarische onderneming beschikte sinds 2016 over een natuurvergunning voor de veehouderij. Na deelname aan de landelijke beëindigingsregeling voor veehouderijlocaties (Lbv) werd deze vergunning in oktober 2024 grotendeels ingetrokken.

Vervolgens vroeg de onderneming toestemming voor uitbreiding van de akkerbouwactiviteiten, waaronder de bouw van een werktuigenloods.

De provincie Noord-Brabant verleende op 4 mei 2026 een vergunning voor een akkerbouwondersteuningsbedrijf. Een herstelbesluit volgde op 16 juni.

Een derde partij maakte bezwaar tegen de manier waarop de provincie de activiteiten had beoordeeld.

Volgens deze partij vormden de landbouwgronden en het ondersteunende bedrijf één geheel. Daardoor hadden ook de mogelijke gevolgen van de gewasteelt en het gebruik van bestrijdingsmiddelen onderzocht moeten worden.

Landbouwpercelen zijn afzonderlijke projecten

De rechtbank volgt deze redenering niet.

Volgens de rechters kunnen een akkerbouwondersteuningsbedrijf en de omliggende landbouwpercelen afzonderlijke projecten vormen.

Een ondersteunend bedrijf bestaat bijvoorbeeld uit een erf, bedrijfsgebouwen, tractoren en andere landbouwmachines.

De grond waarop gewassen worden geteeld, hoeft daar niet automatisch onderdeel van te zijn.

De rechtbank wijst erop dat agrariërs regelmatig van gewas en perceel wisselen. Ook kunnen landbouwgronden worden verpacht of door andere ondernemers worden bewerkt.

Daarnaast kan een akkerbouwbedrijf werkzaamheden laten uitvoeren door een andere agrariër.

Daarom bestaat volgens de rechtbank niet noodzakelijk een onlosmakelijke samenhang tussen een specifiek landbouwperceel en het ondersteunende bedrijf.

Waarschuwing voor gebruik bestrijdingsmiddelen

De rechtbank benadrukt dat deze uitspraak niet betekent dat akkerbouwers zonder natuurvergunning gewassen mogen verbouwen naast beschermde natuurgebieden.

De teelt op een afzonderlijk perceel kan namelijk gevolgen hebben voor Natura 2000.

Dat geldt bijvoorbeeld wanneer gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt of wanneer beregeningsinstallaties invloed kunnen hebben op de natuur.

Als negatieve gevolgen niet vooraf kunnen worden uitgesloten, kan een natuurvergunning noodzakelijk zijn.

Daarbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Raad van State van 2 april 2025 over lelieteelt nabij een Natura 2000-gebied.

De rechtbank laat uitdrukkelijk in het midden of de betrokken agrariër voor zijn afzonderlijke landbouwpercelen een natuurvergunning nodig heeft.

Handhaving kan veel capaciteit kosten

Opvallend is de waarschuwing die de rechtbank aan de provincie meegeeft.

Volgens de rechters bevinden zich veel akkers in de omgeving van Natura 2000-gebieden. Op deze gronden worden regelmatig verschillende gewassen geteeld, waarbij uiteenlopende bestrijdingsmiddelen en teeltmethoden worden gebruikt.

De rechtbank sluit daarom niet uit dat voor veel landbouwactiviteiten een natuurvergunning noodzakelijk kan zijn.

Wanneer een verplichte vergunning ontbreekt, moet de provincie in beginsel handhavend optreden.

Het controleren van deze mogelijke overtredingen kan volgens de rechtbank veel capaciteit van de provincie vergen.

De rechters wijzen erop dat provincies, agrariërs en natuurorganisaties gezamenlijk naar werkbare oplossingen moeten zoeken.

Provincie maakte fout bij vergunningverlening

Hoewel de provincie de akkerbouwactiviteiten afzonderlijk mocht beoordelen, is de verleende vergunning niet zorgvuldig voorbereid.

Volgens de rechtbank is de oorspronkelijke aanvraag tijdens de procedure gewijzigd, zonder dat deze aanpassing schriftelijk kenbaar werd gemaakt.

Daardoor was onvoldoende duidelijk welke activiteiten precies werden aangevraagd en vergund.

De rechtbank vernietigt daarom de besluiten van 4 mei en 16 juni 2026.

Omdat inmiddels duidelijk is dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op het ondersteunende bedrijf, blijven de rechtsgevolgen van de vergunning wel in stand.

De agrarische onderneming mag daardoor gebruik blijven maken van de vergunning.