ARNHEM – De gemeente Beuningen heeft terecht een omgevingsvergunning verleend voor de opvang van maximaal 55 alleenstaande minderjarige asielzoekers in een voormalig kantoorgebouw op bedrijventerrein Schoenaker. Dat heeft de rechtbank in Arnhem op donderdag 15 oktober bepaald. Omwonenden en een vastgoedonderneming hadden bezwaar tegen de plannen, maar krijgen op alle punten ongelijk. De opvanglocatie mag volgens de vergunning tien jaar worden gebruikt.

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wil een leegstaand kantoorgebouw van drie verdiepingen aan de rand van bedrijventerrein Schoenaker geschikt maken voor de huisvesting van jongeren die zonder ouders of verzorgers naar Nederland zijn gekomen.

Op het terrein komt daarnaast een tijdelijk gebouw voor administratieve werkzaamheden en recreatie. De buitenruimte wordt ingericht met onder meer fietsenstallingen, parkeerplaatsen en een pannakooi.

Omwonenden vrezen overlast en onveiligheid

De gemeente verleende op 9 maart 2026 de benodigde omgevingsvergunning. Omdat het pand officieel een kantoorbestemming heeft, was toestemming nodig om van het omgevingsplan af te wijken.

Een groep omwonenden en vastgoedonderneming P3B Onroerend Goed B.V. stapten daarop naar de rechter. Zij vonden onder meer dat de gemeente onvoldoende rekening had gehouden met de veiligheid, privacy en belangen van omwonenden.

Ook waren er volgens de bezwaarmakers tekortkomingen in de participatieprocedure en bestonden er twijfels over de gevolgen voor beschermde diersoorten. Daarnaast wezen zij op andere locaties die volgens hen geschikter zouden zijn voor de opvang.

Dag en nacht beveiliging verplicht

Een belangrijk onderdeel van de rechtszaak ging over de sociale veiligheid. De omwonenden vonden de veiligheidsmaatregelen onvoldoende concreet vastgelegd in de vergunning.

Volgens het COA zijn op de opvanglocatie 24 uur per dag, zeven dagen per week begeleiders, beveiligers en bedrijfshulpverleners aanwezig. Ook komen er huisregels, een meldpunt voor overlast en regelmatig overleg met omwonenden, gemeente en politie.

De vergunning verplicht het COA om permanent beveiliging en hulpverleners aanwezig te hebben. Verder moet er een bedrijfsnoodplan zijn en moeten omwonenden overlast kunnen melden via telefoon of e-mail.

De rechtbank vindt deze voorwaarden voldoende. Het is volgens de rechter niet noodzakelijk om ook gedetailleerde afspraken over mentoren, jeugdzorgbegeleiding, onderwijs en activiteitenprogramma's in de omgevingsvergunning vast te leggen.

De gemeente blijft verantwoordelijk voor het volgen van de gevolgen van de opvang voor de omgeving. Als dat nodig is, kunnen in overleg met het COA en de politie aanvullende maatregelen worden getroffen.

Voldoende overleg met inwoners

Ook over de betrokkenheid van inwoners werd uitgebreid geprocedeerd. Een omwonende vond dat zij onvoldoende persoonlijk was geïnformeerd over de plannen.

Uit de stukken blijkt dat de gemeente en het COA vanaf eind 2024 een groot aantal informatieavonden, ondernemersbijeenkomsten en gesprekken met omwonenden hebben georganiseerd. In januari 2025 werden bovendien op tachtig adressen informatiebrieven verspreid.

De rechter oordeelt dat voldoende gelegenheid is geboden om op de plannen te reageren. Dat niet iedere inwoner persoonlijk is benaderd, betekent volgens de rechtbank niet dat de participatie onvoldoende was.

Een korte technische storing waardoor stukken op de eerste dag niet digitaal beschikbaar waren, verandert dat oordeel niet. De betrokken omwonende heeft uiteindelijk een schriftelijke zienswijze kunnen indienen.

Beschermde vleermuizen geen belemmering

De bezwaarmakers wezen daarnaast op de aanwezigheid van beschermde vleermuizen. Uit onderzoek bleek dat het gebouw wordt gebruikt door de gewone dwergvleermuis. Er is een zomerverblijfplaats en een paarverblijfplaats vastgesteld.

Volgens de rechtbank heeft de gemeente voldoende onderbouwd dat de verbouwing kan plaatsvinden zonder de natuurregels te overtreden. Daarbij moeten werkzaamheden onder meer overdag worden uitgevoerd en waar mogelijk buiten het broedseizoen plaatsvinden.

Omdat de buitengevel van het bestaande gebouw niet wordt aangepast, vormt de aanwezigheid van de vleermuizen volgens de rechter geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen.

Privacy van omwonenden niet onevenredig aangetast

Omwonenden vreesden eveneens voor inkijk vanuit het opvanggebouw. Door het kappen van bomen zou het zicht op nabijgelegen woningen zijn toegenomen.

De rechtbank wijst erop dat de dichtstbijzijnde tuin ongeveer zestig meter van het gebouw ligt. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt ongeveer 85 meter. Tussen het pand en de woonwijk liggen bovendien wegen, groenstroken en een fietspad.

Volgens de rechter is daardoor geen sprake van een onevenredige aantasting van de privacy. Het is dan ook niet noodzakelijk om ramen af te plakken of melkglas verplicht te stellen.

Alternatieve opvanglocaties afgewezen

De bezwaarmakers hadden twee alternatieve locaties aangedragen. Een daarvan ligt bij het gemeentehuis aan de Van Heemstraweg. Daarnaast werd gewezen op het voormalige zorgcentrum Overmars in Winssen, dat mogelijk medio 2027 beschikbaar komt.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente niet verplicht is om alternatieve locaties te onderzoeken wanneer de aangevraagde locatie ruimtelijk aanvaardbaar is.

Bovendien is de grond aan de Van Heemstraweg niet in gemeentelijk eigendom en wonen daar meer direct omwonenden op kortere afstand. Het voormalige zorgcentrum in Winssen is momenteel niet beschikbaar.

Vergunning blijft in stand

De rechtbank in Arnhem verklaart beide beroepen ongegrond. Volgens de rechter heeft het gemeentebestuur voldoende onderzocht of de opvanglocatie op deze plek aanvaardbaar is en zijn de verschillende belangen zorgvuldig afgewogen.

Daarmee blijft de omgevingsvergunning voor de opvang van maximaal 55 minderjarige asielzoekers gedurende tien jaar in stand. Voor de daadwerkelijke bouwwerkzaamheden zijn nog afzonderlijke vergunningen nodig.

De bezwaarmakers krijgen hun griffierecht niet terug en ontvangen geen vergoeding voor hun proceskosten. Tegen de uitspraak kan binnen zes weken na verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.