DEN HAAG – De gemeenten Bodegraven-Reeuwijk en Albrandswaard moeten samen 361 opvangplaatsen voor asielzoekers realiseren. De rechtbank in Den Haag heeft de beroepen van beide gemeenten tegen de opgelegde taakstellingen ongegrond verklaard. Volgens de rechters mag de minister van Asiel en Migratie opvangplaatsen verplicht over gemeenten verdelen, ook wanneer die aangeven onvoldoende geschikte locaties te hebben of al veel vluchtelingen op te vangen.
Voor Bodegraven-Reeuwijk blijft de verplichting van 208 opvangplaatsen gelden. Albrandswaard moet 153 plaatsen realiseren. Beide gemeenten vonden dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met hun specifieke omstandigheden.
Gemeenten verplicht tot opvang asielzoekers
De Spreidingswet is sinds 2024 van kracht en verplicht gemeenten om opvangplaatsen voor asielzoekers beschikbaar te stellen. De wet werd ingevoerd omdat vrijwillige afspraken tussen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en gemeenten onvoldoende opvangcapaciteit opleverden.
Volgens de Rijksoverheid moet de wet ervoor zorgen dat opvangplaatsen evenwichtiger over Nederland worden verdeeld. Daarbij wordt rekening gehouden met het inwonertal en de sociaaleconomische omstandigheden van gemeenten.
Gemeenten krijgen eerst de mogelijkheid om binnen hun provincie onderling afspraken te maken. Wanneer zij gezamenlijk onvoldoende opvangplaatsen aanbieden, mag de minister de resterende opgave verdelen.
Dat gebeurde ook in Zuid-Holland. De provincie moest volgens het verdeelbesluit 19.776 opvangplaatsen realiseren, maar gemeenten kwamen gezamenlijk niet verder dan 17.431 plaatsen. Daardoor moest de minister nog 2.345 plaatsen verdelen.
Bodegraven-Reeuwijk wijst op opvang Oekraïners
Bodegraven-Reeuwijk voerde aan dat de gemeente al jarenlang een grote bijdrage levert aan de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Volgens het gemeentebestuur had de minister deze inspanningen zwaarder moeten laten meewegen.
De gemeente stelde bovendien dat haar eigen registraties een nauwkeuriger beeld gaven van de daadwerkelijk geboden opvang. Daarmee zou Bodegraven-Reeuwijk mogelijk in aanmerking komen voor vrijstelling van de aanvullende opvangopgave.
De minister hanteerde echter een landelijke berekeningswijze waarbij werd gekeken naar het gemiddelde aantal opvangplaatsen voor Oekraïense vluchtelingen tussen januari 2023 en september 2024.
Voor Bodegraven-Reeuwijk kwam dat gemiddelde uit op 319 plaatsen. Dat was ongeveer 138 procent van de oorspronkelijke indicatieve asielopvangopgave van 232 plaatsen.
Om vanwege uitzonderlijke opvanginspanningen te worden uitgesloten van de aanvullende verdeling, moest een gemeente minstens 200 procent van haar indicatieve opgave hebben gerealiseerd. Voor Bodegraven-Reeuwijk betekende dit gemiddeld 464 plaatsen.
Rechter accepteert grens van 200 procent
De gemeente vond de gehanteerde grens van 200 procent onterecht, omdat dit percentage niet expliciet in de Spreidingswet of de bijbehorende regelgeving is vastgelegd.
De rechtbank erkent dat het percentage niet letterlijk in de wet staat, maar vindt dat de minister voldoende ruimte heeft om een vaste berekeningsmethode te gebruiken.
Volgens de rechters is het belangrijk dat voor alle gemeenten dezelfde gegevens en meetmomenten worden gehanteerd. Anders zouden gemeenten op basis van uiteenlopende registraties worden beoordeeld, waardoor een eerlijke vergelijking moeilijk wordt.
De rechtbank vindt de grens van 200 procent niet onredelijk. De minister mocht deze gebruiken om te bepalen welke gemeenten een uitzonderlijk grote bijdrage aan de opvang van Oekraïense vluchtelingen hebben geleverd.
Daarmee blijft de taakstelling van Bodegraven-Reeuwijk vastgesteld op 208 opvangplaatsen, waarvan 108 reguliere plaatsen en 100 plaatsen voor alleenstaande minderjarige asielzoekers.
Opvang minderjarigen vraagt extra voorzieningen
Bodegraven-Reeuwijk wees daarnaast op de extra belasting die opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen met zich meebrengt.
Deze jongeren hebben intensieve begeleiding nodig. Ook moeten gemeenten rekening houden met onderwijs, gespecialiseerde jeugdzorg en andere voorzieningen.
De rechtbank erkent dat deze vorm van opvang meer druk op gemeentelijke voorzieningen kan leggen. Toch hoeft de minister deze opvangplaatsen volgens de wet niet zwaarder te laten meewegen.
Daarbij speelt een belangrijke rol dat Bodegraven-Reeuwijk de 100 plaatsen voor alleenstaande minderjarigen zelf had aangeboden tijdens het provinciale overleg.
De minister heeft bij de herverdeling uitsluitend aanvullende reguliere opvangplaatsen aan de gemeente toegewezen.
Albrandswaard vindt geen geschikte opvanglocatie
Ook Albrandswaard kreeg geen gelijk van de rechter. Deze gemeente stelde dat het praktisch onmogelijk is om voldoende geschikte locaties voor asielopvang te vinden.
Het gemeentebestuur had 23 mogelijke locaties onderzocht. Volgens de gemeente vielen deze af door uiteenlopende beperkingen, waaronder eigendomsverhoudingen, ruimtelijke regels, veiligheidsrisico's, ondergrondse leidingen en problemen met bereikbaarheid en parkeren.
Albrandswaard vond daarom dat de minister vooraf had moeten onderzoeken of de opgelegde opvangplaatsen daadwerkelijk konden worden gerealiseerd.
De rechtbank volgt deze redenering niet. Volgens de rechters is de minister niet verplicht om bij het vaststellen van de landelijke verdeling iedere mogelijke locatie afzonderlijk op haalbaarheid te beoordelen.
Daar komt bij dat het locatieonderzoek waarop Albrandswaard zich beriep uit mei 2023 dateert. De gemeente had onvoldoende aangetoond dat de uitkomsten bij het latere besluit nog volledig actueel waren.
Gemeenten moeten ook ruimtelijke regels aanpassen
Volgens de rechtbank brengt de Spreidingswet een daadwerkelijke verplichting met zich mee om asielopvang mogelijk te maken.
Dat kan betekenen dat gemeenten hun omgevingsplan moeten aanpassen of vergunningen moeten verlenen om een opvanglocatie te realiseren

