BREDA – Een man uit 1961 is donderdag 15 oktober door de rechtbank in Breda veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor de aanranding van een 15-jarig meisje. De man nam het slachtoffer mee naar zijn woning en verrichtte daar onder dwang seksuele handelingen. Opvallend is dat de veroordeelde al ruim negen maanden in voorarrest heeft gezeten. Daarmee heeft hij langer vastgezeten dan de uiteindelijk opgelegde gevangenisstraf.

De aanranding vond plaats op 11 juli 2025. Volgens de rechtbank heeft de man de lichamelijke en seksuele integriteit van het meisje ernstig geschonden. Het slachtoffer maakte meerdere keren duidelijk dat zij niet aangeraakt wilde worden, maar de verdachte ging desondanks door.

Meisje aangesproken bij winkelcentrum

De verdachte ontmoette het destijds 15-jarige meisje bij een winkelcentrum. Hij vertelde haar dat zij jong en mooi was en model zou moeten worden. Vervolgens pakte hij haar hand vast, omhelsde haar en nam haar mee naar zijn woning, omdat hij haar iets wilde laten zien.

Onderweg kuste de man het meisje op haar mond en in haar nek. Eenmaal in zijn woning trok hij haar beha naar beneden en raakte hij haar borsten, billen, benen en schaamstreek aan. Ook pakte hij haar bij haar nek en polsen vast. Het slachtoffer verklaarde dat zij meerdere keren aangaf dat zij dit niet wilde.

Volgens de rechtbank raakte het meisje door de gebeurtenissen als het ware verlamd van angst. Zij bevroor en was daardoor niet in staat adequaat te reageren. De rechters vinden deze reactie voorstelbaar, mede omdat een deel van de gebeurtenissen plaatsvond in de woning van de verdachte, waar hij de situatie controleerde.

Verklaringen ondersteund door getuigen en DNA

De verdachte ontkende de aanranding en stelde dat er geen sprake was geweest van seksuele handelingen. Tijdens verschillende verhoren gaf hij echter uiteenlopende verklaringen over wat zich in zijn woning had afgespeeld.

De rechtbank hecht meer waarde aan de verklaringen van het slachtoffer. Zij verklaarde volgens de rechters op de belangrijkste onderdelen consistent en gedetailleerd. Bovendien werden verschillende onderdelen van haar verhaal ondersteund door ander bewijsmateriaal.

Direct na het incident belde het meisje in paniek met haar vriend. Hij ging samen met een getuige naar haar toe. Zij troffen haar huilend aan. Het meisje vertelde wat er was gebeurd en liet spullen zien die zij van de verdachte had gekregen, waaronder parfum, een zonnebril en lingerie.

Ook haar vader merkte na het incident dat zijn dochter anders reageerde dan normaal. Volgens de rechtbank ondersteunen deze waarnemingen de verklaring van het slachtoffer.

Daarnaast leverde DNA-onderzoek belangrijk steunbewijs op. Op het rechterbandje van de beha van het meisje werd een DNA-mengprofiel aangetroffen. De onderzoeksresultaten waren meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer de verdachte een van de donoren was dan wanneer het DNA uitsluitend van het slachtoffer en twee onbekende personen afkomstig zou zijn.

Openbaar Ministerie eiste hogere straf

Het Openbaar Ministerie had een gevangenisstraf van 323 dagen geëist, waarvan 30 dagen voorwaardelijk. Daarbij werd een proeftijd van drie jaar voorgesteld, met onder meer een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer en haar familie.

De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf. Daarbij speelt mee dat de man volgens psychologisch onderzoek verminderd toerekeningsvatbaar is. Bij hem zijn een neurobiologische ontwikkelingsstoornis en een schizotypische persoonlijkheidsstoornis vastgesteld.

Volgens de psycholoog beperken deze stoornissen zijn impuls- en emotieregulatie, maar nemen zij zijn vermogen om zijn gedrag te sturen niet volledig weg. De rechtbank neemt het advies over om het strafbare feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Man heeft al langer vastgezeten dan noodzakelijk

De rechters houden daarnaast rekening met het feit dat de man al ruim negen maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Volgens de rechtbank is dat, gezien de omstandigheden en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, langer dan passend wordt geacht.

Daarom wordt een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Omdat de man die periode al ruimschoots heeft uitgezeten, ziet de rechtbank geen mogelijkheid meer om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

Dat betekent ook dat de door het Openbaar Ministerie gevraagde bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en een contactverbod, niet aan een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden verbonden.

Schadevergoeding voor slachtoffer

Het slachtoffer had een schadevergoeding van 2.500 euro geëist wegens immateriële schade. Tijdens de rechtszaak las zij een slachtofferverklaring voor, waarin zij vertelde welke gevolgen de aanranding voor haar heeft gehad en nog altijd heeft.

Uit die verklaring bleek onder meer dat zij EMDR-therapie heeft ondergaan om de gebeurtenissen te verwerken.

De rechtbank vindt een schadevergoeding van 1.500 euro passend. De veroordeelde moet dit bedrag betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2025. Het resterende deel van de gevraagde vergoeding is afgewezen.

Ook is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) zal de betaling innen. Wanneer de man niet betaalt, kan gijzeling van maximaal vijftien dagen worden toegepast. Daarmee vervalt de verplichting om de schadevergoeding te betalen niet.

Het vonnis is op donderdag 15 oktober 2026 uitgesproken tijdens een openbare zitting in Breda.