DEN HAAG, 27 februari 2026 – De Raad van State heeft geoordeeld dat een gedupeerde van de toeslagenaffaire geen recht heeft op compensatie van reeds afgeloste schulden bij twee banken. Daarmee bevestigt de hoogste bestuursrechter de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant.
De zaak draait om een verzoek op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De betrokken vrouw had schulden van 45.721 euro bij Interbank en 3.000 euro bij Rabobank afgelost en verzocht om compensatie. De Belastingdienst/Toeslagen wees dit verzoek af, waarna bezwaar, beroep en uiteindelijk hoger beroep volgden.
Wanneer komt een schuld in aanmerking?
Centraal staat de vraag of afgeloste schulden onder de Wht voor compensatie in aanmerking komen. Volgens artikel 4.1 van die wet kunnen bepaalde schulden worden overgenomen of gecompenseerd, maar alleen als zij opeisbaar zijn geworden wegens betalingsachterstanden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.
Volgens de minister van Financiën was daarvan in dit geval geen sprake. De schulden betroffen financiële producten bij banken. Uit de overgelegde stukken bleek niet dat sprake was van betalingsachterstanden die tot opeisbaarheid hadden geleid binnen de wettelijke periode.
De rechtbank oordeelde eerder dat niet is gebleken dat de schuld bij Interbank opeisbaar was geworden. Ook bij Rabobank was wel sprake van roodstand, maar die bleef binnen de kredietlimiet. Volgens de rechtbank was niet aangetoond dat en wanneer deze roodstand juridisch opeisbaar werd.
Geen ruimte voor evenredigheid of hardheidsclausule
De vrouw voerde aan dat zij de schulden noodgedwongen had afgelost en had meegenomen in haar hypotheek bij de aankoop van een nieuwe woning. Daardoor waren de kosten opgelopen. Volgens haar had dit moeten meewegen bij de beoordeling.
De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden geen invloed hebben op de vraag of de schuld onder de wettelijke criteria valt. De wetgever heeft bewust gekozen voor duidelijke afbakeningen. Alleen schulden die daadwerkelijk opeisbaar waren door betalingsachterstanden binnen de vastgestelde periode komen in aanmerking.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagde niet. De rechtbank zag geen bijzondere omstandigheden die niet al in de wetgeving zijn verdisconteerd.
Daarnaast werd gekeken naar de hardheidsclausule. Die biedt in uitzonderlijke situaties ruimte voor afwijking van de wettelijke regeling. Volgens de rechtbank was geen sprake van actuele schrijnende omstandigheden, zoals structurele financiële nood of ernstige medische problematiek.
Vertrouwensbeginsel verworpen
In hoger beroep herhaalde de appellante grotendeels haar eerdere gronden. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de rechtbank deze gemotiveerd had besproken en dat geen nieuwe argumenten waren aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.
Specifiek ging de Afdeling in op het beroep op het vertrouwensbeginsel. De vrouw stelde dat uit interne auditlogs van Sociale Banken Nederland (SBN) zou blijken dat haar schulden waren “goedgekeurd” en dat er een “betaalbestand” was aangemaakt. Volgens haar mocht zij daaruit afleiden dat compensatie zou volgen.
De Afdeling benadrukte dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet worden gemaakt dat door of namens de overheid concrete toezeggingen zijn gedaan waaruit redelijkerwijs mocht worden afgeleid dat een bevoegdheid op een bepaalde manier zou worden uitgeoefend.
Volgens de Afdeling zijn de vermeldingen in auditlogs interne, automatisch gegenereerde registraties. Daaruit blijkt geen concrete toezegging. Ook uit e-mails en WhatsApp-berichten van medewerkers kon niet worden afgeleid dat daadwerkelijk compensatie was toegezegd. De uitlatingen waren daarvoor te weinig specifiek.
Hoger beroep ongegrond
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat de afwijzing van de compensatie in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De uitspraak onderstreept dat de Wht strikt wordt toegepast. Niet iedere schuld van een gedupeerde van de toeslagenaffaire komt automatisch in aanmerking voor compensatie. Doorslaggevend is of de schuld juridisch opeisbaar was wegens betalingsachterstanden binnen de in de wet genoemde periode.
Juridische betekenis
Deze uitspraak bevestigt de lijn in eerdere rechtspraak dat de rechter terughoudend toetst aan de wettelijke criteria van de Wht. De beoordelingsruimte van de minister is beperkt tot wat de wet toestaat. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan via de hardheidsclausule worden afgeweken.
Voor andere gedupeerden betekent dit dat zij goed moeten kunnen aantonen dat hun schulden daadwerkelijk opeisbaar zijn geworden binnen de relevante periode. Louter het bestaan van financiële druk of herfinanciering via een hypotheek is daarvoor onvoldoende.
Met deze uitspraak is de procedure definitief afgerond. De beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen om de afgeloste schulden niet te compenseren blijft daarmee ongewijzigd van kracht.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.