TILBURG, 11 maart 2026 – De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 11 maart 2026 uitspraak gedaan in een slepende juridische zaak over het telen van medicinale cannabis in Tilburg. De hoogste bestuursrechter oordeelt dat een brief van de burgemeester uit 2022 over deze kwestie niet kan worden gezien als een besluit of een intrekking van een gedoogbeslissing. Hiermee blijft de juridische status van thuis gekweekte medicinale cannabis voor de betrokken patiënten ongewijzigd en blijft de weg naar de bestuursrechter voor hen vooralsnog gesloten.
De voorgeschiedenis: Een brief uit 2016
De zaak vindt zijn oorsprong in een brief uit september 2016. Destijds liet de toenmalige burgemeester van Tilburg aan de stichting Patiënten Groep Medicinale Cannabis Gebruikers weten dat het telen van medicinale cannabis onder strikte voorwaarden werd toegestaan.
Deze voorwaarden hielden onder meer in dat patiënten maximaal vijf planten van maximaal drie meter hoog in hun woning mochten telen voor eigen gebruik. Daarnaast moest de teler meerderjarig zijn, beschikken over een medische verklaring van een BIG-geregistreerde zorgverlener, en moest de woonsituatie voldoen aan veiligheidseisen. De burgemeester benadrukte destijds dat deze lijn in afstemming met de politie en het Openbaar Ministerie (OM) was bepaald.
Evaluatie en brief van 12 mei 2022
In 2021 besloot de burgemeester van Tilburg om deze praktijk te evalueren. Na gesprekken met betrokken partijen, waaronder de politie en het OM, stuurde de burgemeester op 12 mei 2022 een nieuwe brief naar de betrokkenen.
In deze brief gaf de burgemeester aan dat hij, na evaluatie, geen reden zag om af te wijken van de algemene regeling waarbij voor het telen van maximaal vijf hennepplanten in de regel niet bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd. De burgemeester lichtte daarbij toe dat dit handelen in lijn is met het reguliere ‘Damoclesbeleid’ (artikel 13b van de Opiumwet). Cruciaal was de toevoeging dat de voorwaarden uit de brief van 2016 niet langer van toepassing waren en dat de burgemeester geen invloed kon uitoefenen op het beleid van de politie, het OM en woningcorporaties. De politie en corporaties maken immers hun eigen afwegingen, wat betekent dat zij in bepaalde gevallen wel tot actie kunnen overgaan, ook bij minder dan vijf planten.
Bezwaar en beroep
Patiënten die op doktersvoorschrift medicinale cannabis gebruiken, ervoeren deze nieuwe brief als een intrekking van de eerdere gedoogbeslissing. Zij stelden dat de door de apotheek geleverde medicinale cannabis voor hen niet werkt en dat zij noodgedwongen hun eigen soorten thuis moeten kweken. Zij maakten daarom bezwaar tegen de brief van 12 mei 2022.
De burgemeester verklaarde deze bezwaren echter niet-ontvankelijk, omdat de brief volgens hem geen ‘besluit’ was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde de burgemeester hierin op 31 augustus 2023 in het gelijk. Volgens de rechtbank was er geen sprake van een gedoogbesluit, omdat er bij het kweken van een kleine hoeveelheid cannabis voor eigen gebruik in de visie van de burgemeester überhaupt geen sprake is van een overtreding waarvoor handhavend opgetreden kan worden. De patiënten gingen vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Oordeel van de Raad van State
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt in haar uitspraak van 11 maart 2026 het eerdere oordeel van de rechtbank. De hoogste rechter overweegt dat de brief van 12 mei 2022 – en ook de brief uit 2016 – niet als een gedoogbeslissing kan worden gekwalificeerd.
Een gedoogbeslissing is volgens vaste rechtspraak een toezegging van een bestuursorgaan dat het vooralsnog niet optreedt tegen een geconstateerde overtreding. In dit geval stelt de burgemeester echter juist dat er bij het telen van medicinale cannabis voor eigen gebruik in zijn ogen geen sprake is van een overtreding van de Opiumwet. Omdat er geen sprake is van een overtreding, is er ook geen sprake van gedogen, en kan de brief dus ook niet worden gezien als de intrekking van een gedoogbesluit.
Geen ‘bestuurlijk rechtsoordeel’
De appellanten voerden verder aan dat de brief moet worden aangemerkt als een ‘bestuurlijk rechtsoordeel’, waartegen onder omstandigheden wel rechtsmiddelen openstaan. De Raad van State wijst ook dit argument af. Een bestuurlijk rechtsoordeel vereist een definitief oordeel over de toepassing van wetgeving in een concrete situatie. De Afdeling stelt vast dat de brief van 12 mei 2022 een algemene informatiebrief is, gericht tot een ieder en niet tot concrete personen. Daarnaast is de hoeveelheid cannabis die nodig is voor medicinaal gebruik persoonlijk en niet in algemene zin vast te stellen.
Conclusie: Kwetsbare positie patiënten
Hoewel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de juridische redenering van de burgemeester volgt, toont zij in haar overwegingen begrip voor de positie van de patiënten. De rechters erkennen dat de aanwezigheid van hennepplanten in een woning ingrijpende strafrechtelijke of civielrechtelijke gevolgen kan hebben, zoals de vernietiging van medicatie, ruiming van planten of het ontbinden van de huurovereenkomst door een woningcorporatie.
Desalniettemin kan de bestuursrechter de burgemeester niet dwingen om afspraken te maken met politie en OM over deze specifieke situaties. De wens van de patiënten om via deze procedure meer rechtszekerheid te krijgen, is hiermee niet gehonoreerd. De uitspraak betekent dat de patiënten in de praktijk afhankelijk blijven van de eigen afwegingen die politie, OM en woningcorporaties maken bij het aantreffen van cannabis in een woning
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.