DEN HAAG – Mensen met ernstige psychische problemen en een indicatie voor langdurige zorg raken in Nederland nog altijd dakloos doordat passende woonzorg niet altijd tijdig beschikbaar komt. Het kabinet wil voorkomen dat deze kwetsbare groep tussen verschillende zorginstanties en gemeenten terechtkomt zonder uitzicht op een stabiele woonplek. In tien regio's wordt daarom gewerkt aan een nieuwe aanpak waarbij gemeenten, zorgkantoren en zorgaanbieders intensiever samenwerken.
Dat schrijft minister Mirjam Sterk van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport in een voortgangsbrief die maandag 12 oktober naar de Tweede Kamer is gestuurd. Volgens de minister zijn belangrijke stappen gezet, maar blijft het organiseren van passende zorg voor dakloze mensen met complexe problemen een omvangrijke opgave.
Ernstige psychische problemen en dakloosheid
De aanpak richt zich op mensen met een indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz) die dakloos zijn of dreigen te worden. Het gaat om mensen die vanwege een langdurige aandoening blijvend intensieve zorg of toezicht nodig hebben.
Vaak spelen meerdere problemen tegelijkertijd. Naast ernstige psychische aandoeningen kan sprake zijn van een verstandelijke beperking, verslavingsproblematiek of het vermijden van noodzakelijke zorg.
Daardoor is gewone maatschappelijke opvang niet altijd geschikt. Deze mensen hebben vaak behoefte aan een combinatie van huisvesting, intensieve begeleiding, behandeling en een veilige leefomgeving.
Volgens het ministerie blijkt in de praktijk dat de samenwerking tussen zorgorganisaties niet altijd goed aansluit. Verschillende instanties hebben hun eigen verantwoordelijkheden, financieringsstromen en werkwijzen.
Hierdoor kan onduidelijkheid ontstaan over wie verantwoordelijk is voor de opvang en verdere begeleiding van een cliënt.
Tien regio's werken aan oplossingen
Om deze problemen aan te pakken, werd in 2025 het actieplan 'Passende zorg voor dakloze mensen met een Wlz-indicatie' opgesteld.
Het kabinet werkt daarbij samen met onder meer Zorgverzekeraars Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Nederlandse ggz, Valente en MIND.
In tien regio's zijn pilots gestart waarbij gemeenten, zorgkantoren, zorgaanbieders en organisaties voor maatschappelijke opvang afspraken maken over de begeleiding van dakloze cliënten.
De eerste regio's begonnen rond de zomer van 2025.
Uit de ervaringen blijkt dat de samenwerking tussen de langdurige zorg en het gemeentelijke sociale domein inmiddels sterk is verbeterd.
Waar organisaties aanvankelijk vaak afzonderlijk werkten, wordt nu gezamenlijk gekeken welke ondersteuning noodzakelijk is en hoe mensen sneller naar een geschikte woonzorgplek kunnen worden begeleid.
Tijdelijke woonzorgplekken als tussenoplossing
Een belangrijk onderdeel van de nieuwe aanpak is het creëren van tijdelijke overbruggingsplekken.
In Rotterdam hebben zorgaanbieders dergelijke plekken georganiseerd voor mensen die niet direct naar een geschikte langdurige woonzorgvoorziening kunnen verhuizen.
Cliënten kunnen daar maximaal drie maanden verblijven. In die periode wordt onderzocht welke zorg zij precies nodig hebben en welke woonomgeving het beste bij hun situatie past.
Het doel is vervolgens een duurzame woonzorgplek te vinden die aansluit bij de individuele zorgbehoefte.
Meerdere andere pilotregio's onderzoeken inmiddels of zij vergelijkbare voorzieningen kunnen realiseren.
Daarmee moet worden voorkomen dat mensen met complexe zorgvragen langdurig in de maatschappelijke opvang verblijven terwijl zij eigenlijk gespecialiseerde zorg nodig hebben.
Utrecht wil mensen binnen zes maanden doorplaatsen
De regio Utrecht heeft inmiddels concrete bestuurlijke afspraken gemaakt.
Het uitgangspunt is dat mensen met een Wlz-indicatie niet in de maatschappelijke opvang terechtkomen.
Wanneer dat toch gebeurt, moeten zij zo snel mogelijk doorstromen naar een passende voorziening.
Het zorgkantoor heeft met betrokken zorgaanbieders afgesproken dat deze doorstroming in principe binnen drie tot zes maanden plaatsvindt.
Tijdens deze periode wordt de zorgbehoefte onderzocht en wordt gewerkt aan een geschikte vervolgplek.
Zolang iemand nog in de maatschappelijke opvang verblijft, wordt waar mogelijk aanvullende zorg en begeleiding aangeboden.
Om de samenwerking te verbeteren, heeft het zorgkantoor een projectleider aangesteld die de verschillende betrokken organisaties met elkaar verbindt.
De nieuwe werkwijze is op 1 september 2026 van start gegaan.
Ook Haaglanden onderzoekt verbeteringen
In de regio Haaglanden wordt eveneens gewerkt aan betere samenwerking tussen zorginstellingen en gemeenten.
Daar blijkt uit praktijkgevallen dat sommige mensen met een Wlz-indicatie tegelijkertijd onder de zogenoemde Levensloopaanpak vallen.
Die aanpak is bedoeld voor mensen met complexe psychische problemen die ook risico's voor zichzelf of hun omgeving kunnen vormen.
De regio onderzoekt hoe beide trajecten beter op elkaar kunnen aansluiten en hoe kan worden voorkomen dat zorgprocessen elkaar overlappen.
Daarnaast wordt gekeken naar situaties waarin een zorgaanbieder de behandeling of begeleiding beëindigt.
Het doel is te voorkomen dat mensen door het wegvallen van zorg uiteindelijk dakloos raken.
Nieuwe hulpmiddelen voor gemeenten
De ervaringen uit de tien pilotregio's worden landelijk beschikbaar gesteld.
Daarvoor zijn vier praktische toolkits ontwikkeld. De eerste drie zijn op 1 oktober gepubliceerd.
Deze hulpmiddelen ondersteunen gemeenten, zorgkantoren en zorgorganisaties bij het maken van samenwerkingsafspraken.
De toolkits behandelen onder andere de verdeling van verantwoordelijkheden, gegevensuitwisseling en de organisatie van passende zorg.
Een belangrijk aandachtspunt is dat gemeenten niet altijd voldoende gebruikmaken van de bestaande Wlz-registertoets.
Met deze toets kunnen gemeenten nagaan of iemand een indicatie voor langdurige zorg heeft.
Wanneer dat tijdig duidelijk is, kan sneller worden bepaald welke instantie verantwoordelijk is voor het organiseren van zorg en ondersteuning.
Ook wordt gewerkt met vaste contactpersonen bij zorgkantoren, zodat urgente situaties sneller kunnen worden besproken.
De vierde toolkit, over aanvullende samenwerkingsafspraken, wordt voor het einde van 2026 verwacht.
Omvang van het probleem nog onvoldoende bekend
Hoewel de overheid probeert dakloosheid onder mensen met een Wlz-indicatie terug te dringen, ontbreekt nog een volledig landelijk overzicht van de omvang van deze groep.
Volgens de minister is het moeilijk om precies vast te stellen hoeveel mensen met een indicatie voor langdurige zorg dakloos zijn.
Bestaande tellingen, waaronder de ETHOS-telling, geven niet voor alle gemeenten een volledig beeld.
Bovendien kunnen de aantallen tussen verschillende meetmomenten fluctueren.
Het kabinet wil daarom onderzoeken hoe gegevens uit de tien pilotregio's en andere informatiebronnen beter gecombineerd kunnen worden.
In een nieuwe voortgangsbrief over de langdurige geestelijke gezondheidszorg, die eind 2026 wordt verwacht, wordt hier verder op ingegaan.
Gebrek aan passende woningen blijft aandachtspunt
De aanpak staat volgens het kabinet niet los van de bredere woningnood en de problemen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Een stabiele woonplek is voor mensen met ernstige psychische aandoeningen vaak een noodzakelijke voorwaarde om behandeling en begeleiding succesvol te laten verlopen.
Daarom wordt de aanpak verbonden met het Nationaal Actieplan Dakloosheid en de landelijke plannen voor meer passende woonzorgvoorzieningen.
Ook binnen de inzet om jaarlijks 100.000 woningen te realiseren, vraagt het kabinet aandacht voor specifieke doelgroepen, waaronder mensen met psychische problematiek.
De burgemeesters van de vier grote steden hebben onlangs eveneens aandacht gevraagd voor de toenemende dakloosheid en de gevolgen daarvan.
Het kabinet werkt aan een reactie op hun zorgen.
Verdere afspraken met zorgsector
Minister Sterk wil de komende periode aanvullende afspraken maken met organisaties binnen de langdurige geestelijke gezondheidszorg.
Daarbij krijgen mensen met complexe zorgvragen en dakloze cliënten met een Wlz-indicatie nadrukkelijk aandacht.
De ervaringen uit de tien pilotregio's moeten ook in andere delen van Nederland worden toegepast.
Volgens de minister zijn de eerste resultaten bemoedigend, maar is blijvende samenwerking noodzakelijk.
De komende maanden moet duidelijk worden hoe de verbeteringen structureel kunnen worden vastgelegd en hoe wordt voorkomen dat kwetsbare mensen opnieuw tussen verschillende instanties terechtkomen.
Eind 2026 informeert de minister de Tweede Kamer opnieuw over de voortgang van de aanpak.




