DEN HAAG – De toekomst van de Nederlandse postbezorging staat onder toenemende druk. PostNL vraagt de overheid voor 2027 een vergoeding van 80 miljoen euro om de kosten van de wettelijk verplichte postbezorging te kunnen dragen. Volgens het bedrijf bedragen de extra kosten van deze publieke taak over de jaren 2025, 2026 en 2027 samen ruim 148 miljoen euro. Het kabinet heeft eerdere verzoeken om financiële ondersteuning afgewezen. Uit onderzoek naar de jaarrekening, de halfjaarcijfers over 2026, rapporten van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de geldende postwetgeving blijkt dat niet alleen de brievenpost verliesgevend is, maar ook de financiële slagkracht van het gehele concern onder druk staat.

PostNL waarschuwde dinsdag 20 oktober opnieuw dat het uitblijven van politieke besluiten grote gevolgen kan hebben. Het bedrijf wil de reguliere postbezorging terugbrengen van vijf naar vier dagen per week. De zaterdag zou als bezorgdag voor gewone brieven moeten verdwijnen.

Die verandering kan volgens PostNL echter niet meer in 2027 worden ingevoerd. Daarvoor is aanpassing van de Postwet nodig en moet het volledige logistieke netwerk worden aangepast. Het bedrijf heeft daarvoor minimaal een jaar voorbereidingstijd nodig.

Als de politiek uiterlijk in januari 2027 duidelijkheid geeft, kan de nieuwe werkwijze volgens PostNL op zijn vroegst begin 2028 worden ingevoerd. Blijft een besluit uit, dan loopt de financiële schade verder op.

Van drie brieven per dag naar drie per week

De problemen bij PostNL zijn grotendeels het gevolg van een structurele verandering in het communicatiegedrag van Nederlanders.

Twintig jaar geleden werden gemiddeld nog drie brieven per dag op ieder adres bezorgd. Inmiddels zijn dat er volgens PostNL nog ongeveer drie per week.

Over diezelfde periode is de totale hoeveelheid post met ongeveer 70 procent afgenomen. Vooral persoonlijke brieven, bankafschriften, facturen en zakelijke correspondentie zijn vervangen door e-mail, digitale berichten en online klantomgevingen.

Volgens de ACM werden in Nederland in 2025 nog 1,486 miljard poststukken verstuurd. Dat betekende een daling van 5 procent ten opzichte van een jaar eerder.

Hoewel de hoeveelheid post voortdurend afneemt, blijven veel kosten bestaan. Brieven moeten worden ingezameld, gesorteerd, vervoerd en bij miljoenen adressen afgeleverd.

Een postbezorger die nog maar enkele brieven in een straat moet afleveren, legt vaak vrijwel dezelfde afstand af als een bezorger die tientallen brieven rondbrengt.

Daardoor stijgen de bezorgkosten per poststuk. Tegelijkertijd zorgen hogere lonen, energieprijzen, transportkosten en personeelstekorten voor extra financiële druk.

Het bestaande landelijke postnetwerk is volgens PostNL daardoor steeds moeilijker rendabel te exploiteren.

Postdivisie draait nauwelijks winst

Een analyse van de financiële resultaten over 2025 laat zien hoe klein de marges bij PostNL inmiddels zijn geworden.

Het concern behaalde in 2025 een omzet van 3,324 miljard euro. Dat was meer dan de 3,252 miljard euro in 2024.

De genormaliseerde operationele winst, door PostNL aangeduid als EBIT, bleef echter steken op 53 miljoen euro. Dat betekent een operationele winstmarge van slechts 1,6 procent.

Onder de streep boekte PostNL in 2025 een nettoverlies van 17 miljoen euro.

De Nederlandse postdivisie behaalde een omzet van 1,315 miljard euro. Daar bleef een genormaliseerde operationele winst van slechts 2 miljoen euro van over.

Dat komt neer op een marge van ongeveer 0,15 procent. Met andere woorden: op iedere 100 euro omzet hield de postdivisie, vóór rente en belastingen en na correctie voor bijzondere posten, nog geen 16 cent over.

Het werkelijke gerapporteerde operationele resultaat van deze divisie was zelfs 37 miljoen euro negatief. Dat werd mede veroorzaakt door een afwaardering van 40 miljoen euro op goodwill, de boekhoudkundige waarde die samenhangt met eerdere overnames.

PostNL publiceerde daarnaast in maart 2026 een afzonderlijke rendementsberekening over zijn postactiviteiten. Daaruit volgde een negatief rendement van 3,5 procent, overeenkomend met ongeveer 44 miljoen euro verlies.

Deze cijfers lijken op het eerste gezicht tegenstrijdig, maar zijn gebaseerd op verschillende berekeningsmethoden en afbakeningen. De genormaliseerde EBIT corrigeert voor bijzondere posten, terwijl de rendementsberekening voortkomt uit de afspraken die destijds rond de overname van Sandd zijn gemaakt.

Ze mogen daarom niet bij elkaar worden opgeteld.

Wel bevestigen de verschillende cijfers dat er binnen de Nederlandse postactiviteiten vrijwel geen financiële buffer meer bestaat.

Wettelijk verplichte postbezorging kost 35 miljoen euro

De financiële situatie wordt nog duidelijker wanneer specifiek naar de Universele Postdienst (UPD) wordt gekeken.

Dat is de wettelijke verplichting om ervoor te zorgen dat consumenten en kleine bedrijven in heel Nederland tegen betaalbare en uniforme tarieven post kunnen versturen en ontvangen.

PostNL is door de overheid aangewezen om deze publieke taak uit te voeren.

Onder de verplichting vallen onder meer gewone brieven, kaarten, aangetekende post en bepaalde pakketten. Ook moet PostNL een landelijk netwerk van openbare brievenbussen en postlocaties onderhouden.

In mei 2026 maakte PostNL bekend dat de uitvoering van de UPD in 2025 een verlies van 35 miljoen euro had opgeleverd.

Dat resultaat is afzonderlijk verantwoord aan toezichthouder ACM. Een onafhankelijke accountant heeft daarbij onder meer gekeken naar het toegepaste systeem voor het toerekenen van kosten.

De UPD vormt slechts een gedeelte van de totale postactiviteiten. Ook zakelijke post wordt via het landelijke netwerk vervoerd, maar grote partijen die op contractbasis post versturen vallen doorgaans niet onder dezelfde wettelijke bescherming.

Het probleem is dat PostNL de kosten van een landelijk netwerk moet blijven dragen, ook wanneer consumenten steeds minder gebruikmaken van de dienstverlening.

Nieuw verzoek van 80 miljoen euro

PostNL heeft inmiddels een nieuwe aanvraag aangekondigd voor vergoeding van de nettokosten van zijn wettelijke posttaak.

Voor 2027 gaat het om 80 miljoen euro.

Eerder vroeg het bedrijf al in totaal 68 miljoen euro aan financiële ondersteuning voor 2025 en 2026.

Samen komt dat neer op 148 miljoen euro aan gevraagde vergoedingen over drie jaar.

Die bedragen hebben betrekking op de volgens PostNL extra kosten die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen. Ze zijn niet hetzelfde als het boekhoudkundige verlies van de postdivisie of het afzonderlijke verlies op de UPD.

Het verzoek voor 2027 is opvallend groot in verhouding tot de resultaten van het concern. De gevraagde 80 miljoen euro is anderhalf keer zoveel als de volledige genormaliseerde operationele winst die PostNL in 2025 behaalde.

Maurice Unck, directeur MailNL bij PostNL, stelt dat de overheid niet kan blijven verlangen dat het bedrijf een publieke taak uitvoert zonder de bijbehorende extra kosten te vergoeden.

Volgens PostNL leggen die kosten niet alleen druk op het postbedrijf, maar beperken ze ook de mogelijkheden om elders binnen het concern te investeren.

Kabinet wil geen structurele subsidie

De overheid kijkt anders naar de financiële problemen.

Het kabinet besloot in december 2025 eerdere subsidieaanvragen af te wijzen. Volgens het ministerie van Economische Zaken kan de postbezorging weer financieel houdbaar worden gemaakt door de wettelijke eisen te versoepelen.

Daarbij werd besloten dat gewone brieven vanaf juli 2026 niet langer binnen één, maar binnen twee bezorgdagen moeten worden afgeleverd.

Vanaf 1 juli 2027 geldt volgens het inmiddels gewijzigde Postbesluit een termijn van drie bezorgdagen.

Het kabinet beschouwt deze verruiming als een belangrijke maatregel om de kosten van de postbezorging te verlagen.

PostNL vindt de maatregelen onvoldoende.

Het bedrijf stelt dat een langere bezorgtermijn pas grote besparingen oplevert wanneer ook de organisatie van het postnetwerk kan worden veranderd.

Daarvoor wil PostNL onder meer stoppen met de reguliere zaterdagbezorging. Juist op zaterdag worden volgens het bedrijf relatief weinig brieven bezorgd.

De wettelijke verruiming naar drie bezorgdagen is dus al geregeld, maar over het schrappen van zaterdag als reguliere bezorgdag is nog geen politiek besluit genomen.

Daardoor ontstaat een opmerkelijke situatie: de overheid heeft de bezorgtermijn vanaf juli 2027 versoepeld, terwijl PostNL aangeeft het bijbehorende goedkopere bezorgmodel pas in 2028 te kunnen invoeren.

Rechter wees eerder verzoek om voorschot af

Het conflict tussen PostNL en de overheid is inmiddels ook onderwerp van juridische procedures.

In september 2025 vroeg PostNL het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een voorschot van 30 miljoen euro op de eerder gevraagde 68 miljoen euro.

De voorzieningenrechter wees dat verzoek af.

Volgens de rechter was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële situatie van PostNL op dat moment zo nijpend was dat onmiddellijk overheidsgeld noodzakelijk was om problemen in de bedrijfsvoering te voorkomen.

Daarmee werd niet definitief vastgesteld dat PostNL nooit recht kan hebben op compensatie.

De rechter wees er bovendien op dat de overheid verantwoordelijkheid draagt voor tijdige structurele maatregelen.

PostNL heeft ook juridische stappen gezet tegen de weigering om de bestaande aanwijzing als uitvoerder van de universele postdienst in te trekken.

De uitkomst van deze procedures is van groot belang voor de toekomstige verhouding tussen het bedrijf en de overheid.

De Europese Postrichtlijn biedt mogelijkheden om de uitvoerder van een universele postdienst te compenseren wanneer wettelijke verplichtingen een onevenredige financiële last veroorzaken. Dat betekent echter niet dat een aangevraagde vergoeding automatisch moet worden toegekend.

Ook pakketbezorging staat onder druk

PostNL beschikt naast de brievenpost over een omvangrijk pakketbedrijf. Die activiteiten vormen een belangrijk onderdeel van de toekomstige strategie.

Maar ook de pakketbezorging biedt geen onbeperkte financiële ruimte om verliezen op de brievenpost op te vangen.

In 2025 behaalde het toenmalige segment Parcels een omzet van 2,457 miljard euro en een genormaliseerde operationele winst van 61 miljoen euro.

Dat komt neer op een winstmarge van ongeveer 2,5 procent.

Ook deze marge is klein, zeker voor een bedrijf dat voortdurend moet investeren in sorteercentra, voertuigen, pakketautomaten, personeel en informatiesystemen.

Bovendien krijgt PostNL te maken met stevige concurrentie van onder meer DHL en andere logistieke ondernemingen.

Uit de halfjaarcijfers over 2026 blijkt dat de omstandigheden verder zijn verslechterd.

Het segment E-commerce realiseerde in de eerste zes maanden een omzet van 937 miljoen euro, tegenover 961 miljoen euro een jaar eerder.

De pakketvolumes daalden met 6,4 procent. De genormaliseerde operationele winst liep terug van 15 miljoen naar 12 miljoen euro.

Het internationale segment Platforms, waaronder activiteiten van Spring en MyParcel vallen, boekte in het eerste halfjaar een genormaliseerd operationeel verlies van 3 miljoen euro.

Daarmee staat vast dat PostNL niet eenvoudig kan vertrouwen op voortdurende groei van de pakketactiviteiten om de problemen bij de brievenpost op te lossen.

Halfjaarcijfers laten financiële kwetsbaarheid zien

De concerncijfers over het eerste halfjaar van 2026 tonen een gemengd beeld.

De totale omzet bedroeg 1,590 miljard euro, vrijwel gelijk aan de 1,589 miljard euro in dezelfde periode van 2025.

De genormaliseerde operationele EBIT kwam uit op 3 miljoen euro negatief, tegenover 5 miljoen euro negatief een jaar eerder.

Het nettoverlies bedroeg 6 miljoen euro.

De vrije kasstroom verbeterde aanzienlijk, van 80 miljoen euro negatief naar 17 miljoen euro negatief.

Dat is een positieve ontwikkeling, maar betekent nog altijd dat PostNL gedurende het eerste halfjaar per saldo meer geld uitgaf dan het volgens deze maatstaf binnenkreeg.

Ondertussen liep de aangepaste nettoschuld verder op.

Eind december 2025 bedroeg deze 501 miljoen euro. Op 27 juni 2026 was dat gestegen naar 528 miljoen euro.

Het geconsolideerde eigen vermogen daalde in dezelfde periode van 176 miljoen naar 157 miljoen euro.

Een hogere schuld en een relatief beperkte vermogensbuffer maken PostNL kwetsbaar wanneer de resultaten achterblijven, de rente stijgt of nieuwe investeringen noodzakelijk zijn.

Dat betekent niet dat een faillissement op korte termijn dreigt. Het concern beschikt ook over liquiditeiten, financieringsmogelijkheden en winstgevende activiteiten.

Wel wordt het lastiger om langdurige verliezen te accepteren zonder ingrijpende veranderingen in de bedrijfsvoering.

Waarom keert PostNL nog dividend uit?

De financiële situatie roept ook vragen op over het dividendbeleid van PostNL.

Het concern keerde over het boekjaar 2025 een dividend uit van 4 cent per aandeel, ondanks het nettoverlies van 17 miljoen euro.

Bij ongeveer 510 miljoen uitstaande aandelen vertegenwoordigt dat een totale dividendwaarde van ruim 20 miljoen euro.

Aandeelhouders konden kiezen tussen uitbetaling in contanten of in aandelen. De volledige dividendwaarde kan daarom niet zonder meer worden aangemerkt als een uitstroom van contanten.

PostNL baseert het dividendbeleid op de genormaliseerde resultaten en de beschikbare financiële ruimte. Het bedrijf hanteert daarbij als uitgangspunt een uitkeringspercentage van ongeveer 70 tot 90 procent van de genormaliseerde winst.

Toch ontstaat hierdoor een lastige politieke discussie.

Aan de ene kant vraagt een beursgenoteerd bedrijf tientallen miljoenen euro's aan de overheid voor het uitvoeren van een publieke taak. Aan de andere kant ontvangen aandeelhouders nog altijd dividend.

Dat betekent niet automatisch dat het verzoek om compensatie onterecht is. Een wettelijk opgelegde publieke dienst kan ook voor een verder gezond bedrijf een onevenredige financiële last vormen.

Wel maakt het duidelijk waarom de overheid, voordat belastinggeld wordt uitgekeerd, kritisch moet kijken naar de werkelijke nettokosten, de financiële positie van het concern, de dividenduitkeringen en de verdeling van kosten tussen bedrijfsonderdelen.

ACM wil meer financiële transparantie

De Autoriteit Consument & Markt heeft eerder gewezen op tekortkomingen in de manier waarop de kosten van de universele postdienst worden toegerekend.

Volgens de toezichthouder is het huidige kostentoerekeningssysteem ingewikkeld en moeilijk te beoordelen.

De ACM pleit daarom voor eenvoudigere en transparantere regels en meer mogelijkheden om toezicht te houden op de financiële gezondheid van de uitvoerder van de UPD.

Dat is relevant omdat PostNL naast consumentenpost ook commerciële poststromen verwerkt.

Verschillende activiteiten maken gebruik van dezelfde infrastructuur. De vraag welk gedeelte van de kosten voortvloeit uit de wettelijke verplichting en welk gedeelte samenhangt met commerciële dienstverlening is daardoor belangrijk.

Een onafhankelijk accountantsrapport over de kostentoerekening neemt niet alle vragen over de doelmatigheid van de kosten en de hoogte van een eventuele compensatie weg.

De discussie gaat dus niet alleen over de vraag of PostNL financiële steun nodig heeft, maar ook over hoeveel van de opgevoerde kosten daadwerkelijk voor rekening van de samenleving moeten komen.

Postbezorging wordt duurder en langzamer

Voor consumenten zijn de gevolgen van de veranderingen al zichtbaar.

Begin 2025 kostte een gewone Nederlandse postzegel nog 1,21 euro. Sinds januari 2026 bedraagt de prijs 1,40 euro.

Dat betekent een prijsstijging van bijna 16 procent in één jaar.

Sinds 12 juli 2026 wordt gewone brievenpost standaard binnen twee bezorgdagen afgeleverd. Wie een brief sneller wil laten bezorgen, kan tegen een hoger tarief gebruikmaken van een prioriteitsdienst.

Vanaf juli 2027 wordt de wettelijke bezorgtermijn verder verruimd naar drie bezorgdagen.

Wanneer PostNL daarnaast toestemming krijgt om de zaterdagbezorging te schrappen, zou gewone post uiteindelijk van dinsdag tot en met vrijdag worden bezorgd.

Voor rouwpost en medische post blijven strengere wettelijke eisen gelden. Deze post moet in beginsel binnen één bezorgdag aankomen en wordt zes dagen per week bezorgd.

Nederlanders betalen daarmee steeds meer voor een dienstverlening die voor gewone brieven minder snel wordt.

Voor PostNL is die verandering noodzakelijk om het systeem betaalbaar te houden. Voor consumenten en bedrijven betekent het dat zij bij belangrijke correspondentie rekening moeten houden met langere bezorgtijden.

De overheid blijft een grote klant

Opmerkelijk is dat de rijksoverheid niet alleen toezichthouder en wetgever is, maar ook een van de grootste klanten van PostNL.

Eind september 2026 werd bekend dat PostNL ook de komende jaren het overgrote deel van de overheidspost mag bezorgen.

De nieuwe overeenkomst gaat op 1 januari 2027 in.

Het gaat om honderden miljoenen poststukken per jaar van organisaties zoals ministeries, de Belastingdienst, het UWV, de Sociale Verzekeringsbank, de Kiesraad en de rechtspraak.

Daarmee levert de overheid een belangrijke bijdrage aan het volume dat via het landelijke postnetwerk wordt vervoerd.

Toch is dit commerciële contract geen oplossing voor de wettelijke verplichtingen van de UPD. De overheid betaalt voor de bezorging van haar eigen zakelijke post, terwijl PostNL daarnaast verplicht blijft een landelijke basisvoorziening voor consumenten en kleine bedrijven aan te bieden.

De overheid heeft daardoor een dubbel belang: zij wil als klant een betrouwbare dienstverlening tegen concurrerende tarieven, maar moet als wetgever ook zorgen dat het landelijke postnetwerk in stand kan blijven.

Risico voor duizenden postmedewerkers

De veranderingen hebben grote gevolgen voor het personeel.

PostNL heeft ongeveer 14.000 postbezorgers die onder een afzonderlijke cao vallen. Daarnaast werken duizenden mensen in sorteercentra, transport, planning en ondersteunende functies.

Wanneer de reguliere postbezorging wordt teruggebracht naar vier dagen per week, verandert de personeelsbehoefte.

Minder bezorgdagen kunnen leiden tot andere werktijden, samenvoeging van wijken, gewijzigde contracturen en uiteindelijk het verdwijnen van functies.

Daar staat tegenover dat de werkzaamheden niet volledig verdwijnen. Alle brieven moeten uiteindelijk nog steeds worden bezorgd en voor bijzondere post blijft snelle dienstverlening noodzakelijk.

De grote uitdaging wordt daarom om de kosten van het netwerk te verlagen zonder dat de kwaliteit verder achteruitgaat.

Dat is niet eenvoudig. De ACM constateerde dat in 2025 slechts 86 procent van de post binnen de toen geldende wettelijke termijn werd bezorgd, terwijl de norm 95 procent bedroeg.

In mei 2026 legde de toezichthouder PostNL bovendien een boete van bijna 7 miljoen euro op vanwege het niet behalen van de wettelijke bezorgnorm in 2023.

Het bedrijf bestrijdt die boete.

De combinatie van personeelstekorten, oplopende kosten en lagere kwaliteitsnormen laat zien hoe moeilijk het is geworden om het landelijke netwerk op het gewenste niveau te houden.

Wat gebeurt er als de overheid niet betaalt?

Als het kabinet ook de nieuwe aanvraag van 80 miljoen euro afwijst, betekent dat niet dat PostNL onmiddellijk kan stoppen met het bezorgen van brieven.

Het bedrijf blijft gebonden aan de wettelijke aanwijzing voor de universele postdienst zolang die niet rechtsgeldig wordt gewijzigd of ingetrokken.

Een afwijzing kan wel verschillende gevolgen hebben.

In de eerste plaats zal PostNL verder proberen de kosten te verlagen. Dat kan door automatisering, het samenvoegen van bezorgroutes, aanpassing van sorteerprocessen en het verminderen van personeel en voorzieningen, voor zover de wet dit toestaat.

Een tweede mogelijkheid is dat de prijzen verder worden verhoogd. De ruimte daarvoor is echter begrensd door wettelijke regels en de jaarlijkse tariefruimte die de ACM vaststelt.

Voor 2027 heeft de ACM die gemiddelde tariefruimte vastgesteld op 3,5929 euro. Dat bedrag is geen nieuwe postzegelprijs, maar een wettelijk berekend maximum voor het gewogen gemiddelde van verschillende UPD-diensten.

Een derde mogelijkheid is dat PostNL zijn investeringen verder beperkt en financiële middelen sterker richt op de pakketactiviteiten en internationale logistiek.

Het risico daarvan is dat verouderde systemen en onvoldoende investeringen uiteindelijk ook de betrouwbaarheid van de postbezorging kunnen aantasten.

Een vierde mogelijkheid is een verdere juridische strijd met de overheid over de financiële compensatie en de verplichting om de UPD te blijven uitvoeren.

In het uiterste geval kan een fundamentele herinrichting van de Nederlandse postvoorziening noodzakelijk worden. De overheid zal dan moeten bepalen welke dienstverlening zij gegarandeerd wil houden en welke onderneming die onder welke voorwaarden kan uitvoeren.

Dat hoeft niet automatisch te betekenen dat de volledige PostNL-groep verdwijnt. De wettelijke posttaak en de commerciële pakketactiviteiten zijn financieel en juridisch verschillende vraagstukken.

Postbezorging in andere Europese landen al veranderd

Nederland staat niet alleen voor deze problemen.

In verschillende Europese landen zijn de regels voor postbezorging de afgelopen jaren versoepeld.

Duitsland heeft langere standaardbezorgtermijnen ingevoerd. In België wordt niet-prioritaire post minder vaak bezorgd en geldt voor de goedkoopste standaarddienst een langere bezorgtermijn.

Denemarken ging nog verder. Daar stopte PostNord begin 2026 met de reguliere landelijke brievenbezorging en werd de dienstverlening door andere marktpartijen overgenomen.

De internationale ontwikkelingen laten zien dat traditionele postdiensten steeds moeilijker zijn te combineren met de sterk afgenomen vraag naar brievenpost.

Tegelijkertijd blijft er maatschappelijk behoefte bestaan aan betrouwbare fysieke post.

Dat geldt bijvoorbeeld voor officiële documenten, juridische correspondentie, rouwkaarten en mensen die minder goed toegang hebben tot digitale communicatie.

Voor een land als Nederland, met zowel dichtbevolkte steden als uitgestrekte landelijke gebieden, is daarom de vraag hoe een landelijke basisvoorziening gegarandeerd kan blijven zonder dat de kosten onbeheersbaar worden.

Ook gevolgen voor West-Friesland

Voor inwoners van West-Friesland zijn de landelijke ontwikkelingen eveneens relevant.

De wettelijke postvoorziening geldt zowel voor stedelijke gebieden zoals Hoorn en Enkhuizen als voor dorpen en buitengebieden in de gemeenten Medemblik, Drechterland, Opmeer, Koggenland en Stede Broec.

Juist in dunner bevolkte gebieden kunnen de kosten per bezorgd poststuk relatief hoog uitvallen, doordat postbezorgers grotere afstanden moeten afleggen.

Dat betekent niet dat PostNL deze gebieden als eerste mag schrappen. De wettelijke verplichting om een landelijk toegankelijke postdienst te bieden blijft bestaan.

Wel kunnen veranderingen in bezorgfrequentie, brievenbussen en postlocaties gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van de dienstverlening.

Vooral ouderen, inwoners zonder digitale vaardigheden en kleine bedrijven die nog afhankelijk zijn van fysieke correspondentie kunnen daarvan hinder ondervinden.

PostNL mikt op herstel in 2028

Ondanks de problemen heeft PostNL ambitieuze financiële doelstellingen voor de komende jaren.

Met de strategie Breakthrough 2028 wil het bedrijf zijn omzet verhogen naar meer dan 4 miljard euro en een genormaliseerde operationele winst bereiken van meer dan 175 miljoen euro.

Ook moet de vrije kasstroom structureel verbeteren.

Voor 2026 verwachtte PostNL bij de presentatie van de halfjaarcijfers nog altijd een genormaliseerde operationele winst van 40 tot 70 miljoen euro, met een vrije kasstroom tussen nul en 30 miljoen euro negatief.

Het bedrijf rekent op verdere prijsverhogingen, efficiencyverbeteringen en een ingrijpend programma om kosten te besparen.

In augustus kondigde PostNL aan in 2027 en 2028 ongeveer 75 miljoen euro extra te willen besparen, voornamelijk binnen E-commerce. Daarmee zou het totale besparingsprogramma voor deze twee jaren oplopen tot 170 à 180 miljoen euro.

Of deze ambities haalbaar zijn, blijft onzeker.

De resultaten zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de pakketmarkt, de concurrentie, de loon- en transportkosten en de snelheid waarmee het bedrijf zijn organisatie kan aanpassen.

Daar komt de onzekerheid over de postwetgeving en de vergoeding van de universele postdienst bovenop.

De rekening komt uiteindelijk ergens terecht

Het onderzoek naar de financiële positie van PostNL laat zien dat de Nederlandse postmarkt voor een fundamentele keuze staat.

De huidige combinatie van een sterk krimpende hoeveelheid brieven, stijgende kosten en een wettelijk voorgeschreven landelijk netwerk is volgens PostNL niet langer financieel houdbaar.

De overheid erkent dat veranderingen noodzakelijk zijn, maar heeft tot nu toe gekozen voor versoepeling van de wettelijke eisen in plaats van rechtstreekse financiële ondersteuning.

Daarmee blijft de centrale vraag onbeantwoord wie de rekening moet betalen voor een landelijke postvoorziening waarvan steeds minder mensen gebruikmaken.

Wanneer het kabinet besluit de gevraagde 80 miljoen euro niet beschikbaar te stellen, zal PostNL de financiële gevolgen zelf moeten opvangen zolang zijn wettelijke verplichtingen blijven bestaan.

Dat kan ten koste gaan van de winstgevendheid, de investeringsruimte, de werkgelegenheid en uiteindelijk de dienstverlening.

Wanneer de overheid wel gaat betalen, ontstaat een andere discussie: hoeveel publiek geld is gerechtvaardigd om een basisvoorziening overeind te houden die door een beursgenoteerde onderneming wordt uitgevoerd?

De oplossing ligt mogelijk in een combinatie van minder reguliere bezorgdagen, gecontroleerde kostenverlaging, meer financiële transparantie en gerichte compensatie voor aantoonbaar noodzakelijke publieke verplichtingen.

Eén conclusie dringt zich op: het traditionele model waarbij vrijwel iedere werkdag een postbezorger door iedere straat komt, nadert zijn economische grenzen.

Voor PostNL wordt 2027 daarmee een beslissend jaar. Niet alleen vanwege de aangevraagde 80 miljoen euro, maar vooral vanwege de politieke keuze over de inrichting van de Nederlandse postmarkt.

Zonder structurele oplossing dreigt het concern jarenlang vast te blijven zitten aan een publieke taak die steeds duurder wordt, terwijl het aantal brieven blijft dalen. Dat brengt niet automatisch het voortbestaan van heel PostNL in gevaar, maar maakt de toekomst van de traditionele brievenbezorging wel steeds onzekerder.