Rechter wijst AVG-verzoek tegen pensioenfonds ABP af

Rechtbank Noord-Holland oordeelt over AVG-verzoek tegen pensioenfonds ABP

ALKMAAR, 19 januari 2026 – De Rechtbank in Alkmaar heeft een verzoek van een gepensioneerde tegen pensioenfonds Stichting Pensioenfonds ABP niet-ontvankelijk verklaard. De man beriep zich op het inzagerecht uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), maar had volgens de rechtbank eerst bij ABP zelf een formeel inzageverzoek moeten indienen. Dat is niet gebeurd.

Verzoek om pensioenberekeningen

De gepensioneerde vroeg de rechtbank ABP te bevelen alle persoonsgegevens te verstrekken die ten grondslag liggen aan zijn huidige pensioenuitkering. Daarnaast wilde hij berekeningen ontvangen van zijn toekomstige pensioen onder het nieuwe stelsel van de Wet toekomst pensioenen, inclusief een toelichting en bevestiging van juistheid en volledigheid. ABP verzette zich tegen het verzoek en stelde dat het niet ging om persoonsgegevens, maar om rekenmethodes en pensioenberekeningen.

Eerst verzoek bij pensioenfonds vereist

De rechtbank stelt vast dat een betrokkene zich pas tot de rechter kan wenden op grond van de Uitvoeringswet AVG (UAVG) nadat een organisatie een beslissing heeft genomen op een formeel inzageverzoek. In dit geval had de verzoeker geen inzage gevraagd in persoonsgegevens, maar uitsluitend om pensioenberekeningen. Daardoor ontbreekt een besluit waartegen de rechter kan toetsen. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk.

Pensioenberekening geen persoonsgegeven

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het verzoek ook inhoudelijk zou zijn afgewezen. Pensioenberekeningen zijn volgens de rechtbank geen persoonsgegevens in de zin van de AVG, maar een rekenproces. Hoewel zulke berekeningen persoonsgegevens kunnen bevatten, vallen zij als zodanig niet onder het inzagerecht. Voor informatie over pensioenhoogte en het nieuwe stelsel geldt de Pensioenwet, niet de AVG.

Proceskosten voor verzoeker

De rechtbank veroordeelt de gepensioneerde tot betaling van de proceskosten van ABP. Deze zijn vastgesteld op 2.120 euro. De uitspraak is gedaan op 8 januari 2026 en gepubliceerd op Rechtspraak.nl.

Geef een reactie