De aankomende coalitie versoepelt de regels voor bonussen voor bankiers en andere CEO’s. Volgens de VVD is het pas een eerste stap. Dat woordgebruik is veelzeggend. Niet omdat het richting geeft, maar omdat het moreel ontwijkt.
Bonussen als symptoom
Bonussen zijn zelden een beloning voor bewezen maatschappelijke waarde. Ze zijn een prikkel die risico’s normaliseert en ongelijkheid institutionaliseert. Nederland koos na de financiële crisis bewust voor strengere regels. Niet uit jaloezie, maar uit nuchterheid: wie met publiek vertrouwen werkt, verdient publieke begrenzing.
Concurrentie als alibi
De VVD voert concurrentiekracht aan. Zonder versoepeling zouden talenten vertrekken. Het is een bekend alibi. Alsof bestuurders uitsluitend door variabele beloning worden gedreven en alsof goed bestuur niet kan bestaan zonder extra’s bovenop al royale vaste salarissen. Het argument reduceert leiderschap tot een spreadsheet.
De glijdende schaal
“Een eerste stap” impliceert meer. Vandaag de banken, morgen de rest. De glijdende schaal is geen complottheorie, maar beleidstaal. Wie begint met uitzonderingen, eindigt met normalisering. En wie dat presenteert als modernisering, vergeet dat regels er zijn om excessen te voorkomen—niet om ze salonfähig te maken.
Publiek belang uit beeld
De versoepeling staat haaks op wat van burgers wordt gevraagd: matiging, flexibiliteit, begrip. Het signaal is helder maar wrang. Voor de top geldt ruimte; voor de rest discipline. Dat ondermijnt draagvlak en vertrouwen—precies de twee grondstoffen die de economie nodig heeft.
De VVD mag dit een eerste stap noemen. Voor wie de lessen van de crisis serieus neemt, voelt het als een stap terug.