Waarom vrede Midden-Oosten uitblijft

Verwoeste stad in het Midden-Oosten als symbool voor aanhoudend conflict

Ik hoor het al jaren: er moet vrede komen in het Midden-Oosten. Diplomaten proberen het, internationale organisaties beleggen conferenties en wereldleiders spreken plechtige woorden. Toch denk ik dat duurzame vrede in de regio voorlopig een illusie is. Niet omdat mensen daar geen vrede zouden willen, maar omdat de diepgewortelde tegenstellingen sterker blijken dan elke politieke overeenkomst.

De kern van het probleem zie ik in de eeuwenoude scheiding tussen soennieten en sjiieten. Die verdeeldheid ontstond al in de zevende eeuw na een conflict over de opvolging van de profeet Mohammed. Wat begon als een leiderschapskwestie groeide uit tot een theologische en politieke breuklijn die tot vandaag doorwerkt.

In landen als Irak is die tegenstelling zichtbaar in de machtsverhoudingen. Onder Saddam Hoessein domineerde een soennitische minderheid het overwegend sjiitische land. Na de Amerikaanse invasie verschoof de macht juist naar sjiitische partijen, wat weer leidde tot ressentiment en geweld. In Iran vormt het sjiisme zelfs de staatsideologie, terwijl Saoedi-Arabië zich profileert als soennitische grootmacht. In Jemen zien we hoe de strijd tussen de sjiitische Houthi’s en de soennitisch geleide coalitie uitmondt in een langdurige oorlog. Deze conflicten zijn niet louter politiek; ze worden gevoed door religieuze identiteit en wederzijds wantrouwen.

Religie en macht zijn in deze regio nauwelijks te scheiden. Dat maakt het conflict fundamenteel anders dan een grensgeschil of een economisch meningsverschil. Het gaat om overtuigingen die door gelovigen als absoluut worden beschouwd. Compromis is dan geen praktische oplossing, maar een principiële concessie.

Ik stel daarbij ook vast dat religie als zodanig geen democratisch systeem is. De islam is geen democratie; het is een geloofssysteem met goddelijke openbaring als hoogste autoriteit. Maar dat geldt evengoed voor het christendom. Ook daar is de waarheid niet het resultaat van stemming, maar van dogma en traditie. De katholieke kerk heeft eeuwenlang een hiërarchische structuur gekend waarin paus en bisschoppen het laatste woord hadden. Democratische besluitvorming was daar geen uitgangspunt.

De geschiedenis laat zien dat religieuze instituties zich niet vanzelf voegen naar democratische waarden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog laveerde de katholieke kerk bijvoorbeeld tussen diplomatie en morele terughoudendheid tegenover het naziregime van Hitler. Dat illustreert hoe religieuze instellingen primair hun eigen continuïteit en leer beschermen, niet noodzakelijk democratische principes.

Dat betekent niet dat gelovigen geen democratische samenlevingen kunnen vormen. In Europa is uiteindelijk een scheiding tussen kerk en staat gegroeid, waardoor religie een plaats kreeg binnen een seculier bestel. In grote delen van het Midden-Oosten is die scheiding echter nooit volledig doorgevoerd. Religieuze identiteit blijft daar een primaire politieke factor.

Zolang soennieten en sjiieten elkaar blijven zien als existentiële tegenstanders, blijft vrede fragiel. Politieke akkoorden kunnen tijdelijk geweld dempen, maar ze nemen de onderliggende vijandbeelden niet weg. Zonder fundamentele hervormingen in religieuze interpretatie, onderwijs en staatsinrichting zie ik weinig perspectief op een stabiele, inclusieve orde.

Mijn conclusie is somber. Vrede vereist niet alleen politieke wil, maar ook een culturele en theologische omwenteling. En juist die laatste lijkt in het huidige klimaat verder weg dan ooit.

Gebruikte bronnen:

  • Karen Armstrong, Islam: A Short History
  • Vali Nasr, The Shia Revival
  • Charles Taylor, A Secular Age
  • Ian Kershaw, Hitler: A Biography
  • Encyclopaedia Britannica (lemma’s over soennisme en sjiisme)

Ontdek meer van HBP Media

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie