DEN HAAG, 25 maart 2026 – De rechtbank Den Haag heeft dinsdag een 71-jarige man vrijgesproken van betrokkenheid bij een dodelijk geweldsincident uit 1992. Hoewel er nieuwe aanwijzingen waren in deze cold case, oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om de man te veroordelen voor de dood van het slachtoffer.
Gebrek aan overtuigend bewijs
De zaak draait om een gewelddadige dood die meer dan drie decennia geleden plaatsvond. De verdachte kwam onlangs opnieuw in het vizier van justitie na hernieuwd onderzoek door een cold case-team. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 17 februari 2026 presenteerde het Openbaar Ministerie bewijsmiddelen die zouden wijzen op de schuld van de man, die destijds dertiger was.
De meervoudige kamer stelt echter in het vonnis van 24 maart 2026 vast dat het dossier te veel onzekerheden bevat. Zo kan op basis van de beschikbare stukken niet onomstotelijk worden vastgesteld wie het slachtoffer precies heeft gedood. Ook de mogelijkheid dat een andere betrokkene alleen verantwoordelijk was voor de daad, zonder medeweten of hulp van de verdachte, kon door de rechtbank niet worden uitgesloten.
Geen bewijs voor samenwerking
Een cruciaal punt in de uitspraak is het ontbreken van bewijs voor onderlinge afstemming of nauwe samenwerking. Het dossier bevat volgens de rechters geen concrete informatie over een gezamenlijk plan of een bewuste bijdrage van de verdachte aan het dodelijke geweld. “Dit staat in de weg aan een bewezenverklaring van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde”, aldus de rechtbank.
De verdachte had in 1992 tegenover zijn echtgenote verklaard dat een ander de dader was. Omdat het onderzoek niet met zekerheid kan aantonen dat deze lezing onjuist is, geniet de verdachte het voordeel van de twijfel. De rechtbank benadrukt dat een veroordeling voor een dergelijk zwaar feit alleen mag volgen als er geen enkele redelijke twijfel over de schuld bestaat.
Onmiddellijke opheffing hechtenis
De man zat in afwachting van de uitspraak in voorlopige hechtenis. Reeds op 6 maart 2026 besliste de raadkamer dat de man per direct in vrijheid moest worden gesteld, vooruitlopend op het definitieve vonnis. Met de integrale vrijspraak van deze week is de strafzaak tegen de man in eerste aanleg beëindigd.
Voor de nabestaanden van het slachtoffer betekent de uitspraak dat de zaak na ruim dertig jaar nog altijd niet formeel is opgelost. Het Openbaar Ministerie heeft veertien dagen de tijd om te beslissen of het tegen de vrijspraak in hoger beroep gaat bij het gerechtshof.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
