Frankrijk brandt. Letterlijk. Terwijl de vlammen uit het historische stadhuis van Limoges slaan, winkels worden leeggeroofd en politieagenten worden bekogeld, vraag ik mij af wat er in hemelsnaam met dit land is gebeurd. Het Frankrijk van vrijheid, gelijkheid en broederschap lijkt steeds meer een land van woede, wantrouwen en maatschappelijke ontwrichting.

Zaterdag 17 oktober gingen honderdduizenden Fransen de straat op. Volgens de autoriteiten waren het er 550.000, volgens de organisatoren zelfs 800.000. Verreweg de meeste demonstranten kwamen vreedzaam op voor betere leefomstandigheden, betaalbare voorzieningen en fatsoenlijk onderwijs.

Maar wat begon als een massaal protest eindigde op verschillende plaatsen in een veldslag. Meer dan 1.200 arrestaties, 150 gewonde politieagenten en gendarmes, brandende voertuigen, geplunderde winkels en vernielde overheidsgebouwen. En boven alles het beeld van het brandende stadhuis van Limoges.

Ik kijk naar die beelden en zie niet alleen een land waarin het geweld volledig uit de hand loopt. Ik zie vooral een land dat al jarenlang door zijn eigen politieke leiders in de steek wordt gelaten.

Een historisch stadhuis in vlammen

Het stadhuis van Limoges werd in 1883 geopend. Het was een monumentaal gebouw, een herkenningspunt voor de stad en een tastbaar onderdeel van de Franse geschiedenis.

Tot zaterdagavond.

Gemaskerde relschoppers drongen het gebouw binnen en stichtten brand. Het vuur verspreidde zich razendsnel. De vlammen bereikten het dak en grote delen van het historische gebouw werden verwoest.

Ik probeer mij voor te stellen wat er door de hoofden van de inwoners van Limoges moet zijn gegaan. Een gebouw dat generaties lang onderdeel was van hun stad, gaat in enkele uren verloren.

En waarvoor?

Omdat iemand boos is op de regering? Omdat de kosten van levensonderhoud stijgen? Omdat het onderwijs tekortschiet?

Geen van deze problemen wordt opgelost door een historisch gebouw in brand te steken.

Wie een stadhuis in brand steekt, valt niet alleen de overheid aan, maar ook de geschiedenis, de gemeenschap en de inwoners die uiteindelijk voor de schade moeten betalen.

Zwartgeklede jongeren die de straten overnemen

Wat mij misschien nog wel het meest verontrust, zijn de beelden van groepen zwartgeklede, gemaskerde jongeren die door winkelstraten trekken. Ruiten worden ingeslagen, goederen verdwijnen uit winkels en auto's gaan in vlammen op.

Dit zijn geen mensen die met een spandoek aandacht vragen voor betere scholen. Dit zijn mensen die geweld gebruiken en profiteren van de chaos.

Ik wil daarbij een belangrijk onderscheid maken.

In Frankrijk bestaan al decennialang ernstige problemen met achterstandswijken, gebrekkige integratie, sociale uitsluiting en jongeren die nauwelijks perspectief op een betere toekomst zien. Ook veel jongeren met een migratieachtergrond groeien op in wijken waar armoede, werkloosheid en wantrouwen tegenover de overheid samenkomen.

Dat zijn problemen die de Franse politiek veel te lang voor zich uit heeft geschoven.

Maar ik weiger de afkomst van relschoppers vast te stellen op basis van een bivakmuts of beelden op televisie. Wie precies verantwoordelijk is voor de vernielingen, moet uit politieonderzoek blijken.

Wat voor mij wel vaststaat, is dat afkomst, armoede of maatschappelijke achterstelling nooit een vrijbrief mogen zijn voor geweld, plundering of brandstichting.

Wie een winkel leeghaalt, berooft een ondernemer. Wie een auto in brand steekt, kan een gezin zijn vervoermiddel ontnemen. En wie politieagenten aanvalt, brengt mensen in gevaar die simpelweg hun werk proberen te doen.

Scholen die langzaam uit elkaar vallen

Maar achter de rookwolken van de rellen gaat een veel groter probleem schuil.

Het Franse onderwijs verkeert op veel plaatsen in een zorgwekkende toestand.

Scholen kampen met een tekort aan leraren. Klassen zijn overvol, lessen vallen uit en gebouwen zijn soms zo slecht onderhouden dat leerlingen moeten studeren onder omstandigheden die een rijk Europees land onwaardig zijn.

Er zijn scholen waar leerlingen klagen over kapotte toiletten, ontbrekende voorzieningen, gebrekkige ventilatie en lokalen die tijdens hittegolven nauwelijks te gebruiken zijn.

Volgens onderzoek waarover de Franse krant Le Monde berichtte, is minder dan 15 procent van de schoolgebouwen sinds 2015 gebouwd of gerenoveerd.

Ik vind dat ronduit beschamend.

Frankrijk is een van de grootste economieën van Europa. Het land beschikt over een omvangrijke industrie, internationale ondernemingen en een rijke wetenschappelijke geschiedenis.

En toch lukt het blijkbaar niet om iedere leerling een fatsoenlijk klaslokaal en voldoende onderwijs te bieden.

Juist onderwijs moet de weg zijn uit armoede en achterstelling. Maar als kinderen al op jonge leeftijd merken dat hun school minder mogelijkheden biedt dan die van leeftijdgenoten in rijkere buurten, wordt ongelijkheid van generatie op generatie doorgegeven.

Wie vervolgens verbaasd is dat jongeren het vertrouwen in de politiek verliezen, heeft de afgelopen jaren niet goed opgelet.

Een staatsschuld die nauwelijks nog te bevatten is

En dan is er nog de financiële toestand van Frankrijk.

Volgens het Franse statistiekbureau INSEE bedroeg de overheidsschuld aan het einde van het tweede kwartaal van 2026 ongeveer 3.595 miljard euro. Dat is maar liefst 119 procent van het bruto binnenlands product.

Ik moet die cijfers altijd even op mij laten inwerken.

Meer dan 3.500 miljard euro schuld. Een bedrag dat voor gewone burgers nauwelijks nog te bevatten is.

En ondertussen staan leerlingen in vervallen scholen, klagen ziekenhuizen over personeelstekorten en worstelen miljoenen Fransen met de kosten van hun dagelijkse boodschappen.

Natuurlijk betekent een hoge staatsschuld niet automatisch dat een land failliet gaat. Maar de financiële ruimte om problemen op te lossen wordt er bepaald niet groter op.

De rekening van jarenlang bestuurlijk onvermogen wordt doorgeschoven naar volgende generaties.

Het wrange is dat juist die jongere generaties nu massaal de straat op gaan omdat zij vrezen dat hun toekomst slechter zal zijn dan die van hun ouders.

Macron en de politiek hebben de waarschuwingen genegeerd

Ik vind dat president Emmanuel Macron en de opeenvolgende Franse regeringen zich ernstig moeten afvragen hoe het zover heeft kunnen komen.

De gele hesjes waarschuwden jaren geleden al dat een groot deel van Frankrijk zich niet meer vertegenwoordigd voelde door de politieke elite in Parijs.

Daarna volgden protesten over pensioenen, koopkracht, arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van publieke voorzieningen.

Steeds opnieuw klonk dezelfde boodschap: de afstand tussen de politieke macht en de gewone burger wordt groter.

En steeds opnieuw werd vooral gesproken over hervormingen, begrotingsdiscipline en de noodzaak van moeilijke keuzes.

Maar wat hebben al die hervormingen opgeleverd voor de leerling zonder leraar, de verpleegkundige met een onhoudbare werkdruk of het gezin dat nauwelijks rondkomt?

Het is voor mij te gemakkelijk om alle problemen bij Macron persoonlijk neer te leggen. De Franse problemen zijn over meerdere regeringen en tientallen jaren ontstaan.

Maar wie bijna tien jaar president is, kan niet blijven doen alsof hij slechts toeschouwer is van de crisis.

Politieke verantwoordelijkheid houdt ook in dat je erkent wanneer beleid onvoldoende heeft gewerkt.

Geweld mag nooit het antwoord worden

Toch wil ik één ding volstrekt helder stellen.

Hoe ernstig de problemen ook zijn, geweld is geen oplossing.

Ik heb begrip voor de leerling die protesteert omdat er alweer geen docent voor de klas staat. Ik begrijp de werknemer die zich zorgen maakt over zijn pensioen en de ouder die niet weet hoe de energierekening betaald moet worden.

Maar ik heb geen enkel begrip voor relschoppers die diezelfde protesten aangrijpen om winkels te plunderen, politieagenten aan te vallen en historische gebouwen te vernietigen.

Het is ook een regelrechte belediging voor de honderdduizenden Fransen die zaterdag vreedzaam hun stem wilden laten horen.

Hun boodschap raakt ondergesneeuwd door de vernielingen van een gewelddadige minderheid.

Tegelijkertijd moet ook het optreden van de politie kritisch onderzocht kunnen worden. Berichten over ernstig gewonde jonge demonstranten en mogelijk buitensporig politiegeweld verdienen onafhankelijk onderzoek.

Een democratische rechtsstaat moet zowel burgers tegen relschoppers beschermen als grenzen stellen aan het geweld dat de overheid zelf gebruikt.

Frankrijk staat voor een keuze

Ik ben bang dat we in Frankrijk slechts het begin zien van een veel grotere maatschappelijke crisis.

Niet omdat het land morgen failliet gaat of omdat iedere Franse stad in brand zal staan, maar omdat het vertrouwen tussen burgers en overheid zichtbaar afbrokkelt.

Een land kan een hoge staatsschuld overleven. Het kan economische tegenwind doorstaan. Het kan zelfs jarenlang politieke verdeeldheid verdragen.

Maar een samenleving waarin jongeren geen toekomst meer zien, burgers hun overheid niet vertrouwen en geweld steeds vaker de plaats inneemt van het debat, heeft een fundamenteel probleem.

Frankrijk moet investeren in onderwijs, veiligheid, fatsoenlijke publieke voorzieningen en kansen voor jongeren. Integratieproblemen moeten bespreekbaar zijn zonder complete bevolkingsgroepen verantwoordelijk te stellen voor het gedrag van criminelen.

Tegelijkertijd moet de overheid duidelijk maken dat wie brand sticht, plundert of mensen mishandelt daarvoor persoonlijk verantwoordelijk wordt gehouden.

Dat vraagt meer dan een harde toespraak vanuit Parijs. Het vraagt politieke moed, financieel realisme en vooral de bereidheid om eindelijk naar gewone burgers te luisteren.

Als ik één beeld van deze zwarte zaterdag moet onthouden, dan is het dat van het brandende stadhuis van Limoges.

Een gebouw dat 143 jaar overeind bleef, maar in enkele uren ten prooi viel aan de vlammen.

Voor mij staat dat beeld symbool voor een land dat zijn problemen te lang heeft laten voortwoekeren.

De brandweer kan de vlammen doven.

Maar wie blust de woede van Frankrijk?