ARNHEM – Een 63-jarige man uit Elburg is vrijdag 9 oktober door de rechtbank in Arnhem veroordeeld voor het bedreigen van medewerkers van Jeugdbescherming Overijssel en het verspreiden van lasterlijke beschuldigingen over een wethouder en twee rechters. De man, die zichzelf beschouwt als soeverein burger, maakte ook persoonlijke gegevens van de wethouder openbaar. Hij krijgt een taakstraf van 150 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een contactverbod van drie jaar met de vijf slachtoffers.

De strafzaak ontstond na een reeks incidenten rond de uithuisplaatsing van een minderjarig meisje in 2024. De verdachte had zich opgeworpen als belangenbehartiger van haar ouders en raakte verwikkeld in een conflict met medewerkers van Jeugdbescherming Overijssel, de gemeente Kampen en rechters die bij de zaak betrokken waren.

Volgens de rechtbank ging de man daarbij veel verder dan het uiten van kritiek op overheidsinstanties. Hij bedreigde medewerkers, verspreidde persoonlijke informatie en beschuldigde verschillende betrokkenen ten onrechte van corruptie en kinderontvoering.

Conflict begon na uithuisplaatsing minderjarig meisje

De gebeurtenissen begonnen nadat een minderjarig meisje op 15 maart 2024 onder toezicht van Jeugdbescherming Overijssel was gesteld. Op 4 november van dat jaar volgde een uithuisplaatsing.

Volgens het vonnis ging het meisje niet meer naar school en hadden hulpverleners onvoldoende zicht op haar opvoedsituatie. De ouders hielden haar weg bij vrijwillige hulpverlening en medewerkers van Jeugdbescherming. Ook reageerden zij niet op schriftelijke aanwijzingen.

De ouders hadden de verdachte leren kennen tijdens een lezing die hij verzorgde over soevereiniteit en de verhouding tussen burgers en de overheid.

De man presenteerde zich vervolgens als adviseur en belangenbehartiger van het gezin. Tijdens de daadwerkelijke uithuisplaatsing stond hij de ouders telefonisch bij.

Hij raakte ervan overtuigd dat het meisje door de overheid was ontvoerd en dat Jeugdbescherming niet bevoegd was om in te grijpen.

Medewerkers bedreigd met vuurpeloton

Op 19 november 2024 stuurde de verdachte bedreigende e-mails naar twee medewerkers van Jeugdbescherming Overijssel.

Daarin schreef hij onder meer dat zij voor een militair tribunaal zouden worden gebracht. Ook verwees hij naar een vuurpeloton, dat volgens hem zou worden ingezet tegen mensen die verantwoordelijk waren voor kinderontvoering en kindermisbruik.

De man presenteerde zichzelf daarbij als internationaal erkend rechter en stelde dat betrokken ambtenaren uiteindelijk persoonlijk ter verantwoording zouden worden geroepen.

De medewerkers deden aangifte.

Tijdens de strafzaak erkende de verdachte dat hij de berichten had verstuurd en dat zijn uitlatingen bedreigend konden overkomen.

De rechtbank vindt bewezen dat sprake was van herhaalde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Geen sprake van terroristisch oogmerk

De man werd aanvankelijk ook beschuldigd van bedreiging met een terroristisch misdrijf.

De rechtbank oordeelt echter dat voor dat onderdeel onvoldoende bewijs bestaat.

Volgens de rechters waren de uitlatingen gericht tegen twee individuele medewerkers die de verdachte verantwoordelijk hield voor de uithuisplaatsing.

Er zijn geen aanwijzingen dat hij met zijn bedreigingen de overheid als geheel wilde dwingen bepaalde besluiten te nemen of overheidsinstanties ernstig wilde ontwrichten.

Daarom spreekt de rechtbank hem vrij van het onderdeel dat betrekking heeft op een terroristisch oogmerk.

De bedreigingen zelf worden wel bewezen verklaard.

Boek met ernstige beschuldigingen verspreid

De verdachte beperkte zijn acties niet tot e-mails aan medewerkers van Jeugdbescherming.

Hij stelde ook een omvangrijk document samen onder de titel 'De Kinderrover'. Daarin verzamelde hij correspondentie over de uithuisplaatsing en uitte hij ernstige beschuldigingen tegen verschillende betrokkenen.

Onder meer een wethouder van de gemeente Kampen en twee rechters werden in het boek beschuldigd van corruptie en kinderontvoering.

De man verspreidde het document via e-mail naar een groot aantal ontvangers. Het werd ook aangeboden via Amazon en beschikbaar gesteld op een website die hij zelf beheerde.

Volgens de rechtbank wist de verdachte dat de beschuldigingen onwaar waren.

De rechters kwalificeren zijn handelen daarom als laster.

Persoonsgegevens wethouder openbaar gemaakt

Naast het verspreiden van beschuldigingen maakte de man persoonlijke gegevens van de betrokken wethouder openbaar.

Het ging onder meer om informatie over zijn woonplaats, gezinssamenstelling en andere persoonsgegevens.

De gegevens werden verwerkt in het boek en gedeeld in een Telegramgroep waarin ideeën uit de soevereinenbeweging werden verspreid.

De verdediging stelde dat een deel van de informatie al via openbare bronnen beschikbaar was.

Dat maakt volgens de rechtbank echter geen verschil.

Ook het verzamelen en verspreiden van openbaar toegankelijke persoonsgegevens kan strafbare doxing opleveren wanneer dit gebeurt met de bedoeling iemand angst aan te jagen, ernstige overlast te bezorgen of te hinderen bij de uitvoering van zijn functie.

Volgens de rechters bracht de verdachte de wethouder bewust in een situatie waarin hij geconfronteerd kon worden met intimidatie door anderen.

Ook twee rechters slachtoffer van laster

De man richtte zich eveneens tegen twee rechters die betrokken waren geweest bij de behandeling van het jeugdbeschermingsdossier.

In zijn publicaties beschuldigde hij hen onder andere van corruptie, fraude en betrokkenheid bij kinderontvoering.

Een van de rechters werd bovendien met beledigende termen aangeduid en persoonlijk aangevallen.

Volgens de rechtbank waren de beschuldigingen niet gebaseerd op feiten en wist de verdachte dat zij onjuist waren.

De publicaties gingen daarmee verder dan het uiten van onvrede over rechterlijke beslissingen.

Door de aantijgingen breed te verspreiden, tastte de verdachte volgens de rechtbank bewust de eer en goede naam van de betrokken rechters aan.

Rechtbank benadrukt grenzen aan kritiek

Bij het bepalen van de straf benadrukt de rechtbank dat burgers het recht hebben om kritisch te zijn op de overheid en haar instellingen.

Ook mogen zij zich afkeren van de overheid of fundamenteel van mening verschillen met beslissingen van rechters en hulpverleners.

Dat recht geeft echter geen vrijheid om individuele medewerkers te bedreigen, persoonsgegevens te verspreiden met intimiderende bedoelingen of bewust onjuiste beschuldigingen openbaar te maken.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte handelde vanuit een ideologische afwijzing van de Nederlandse rechtsstaat.

Volgens de rechters ging hij ervan uit dat hij als soeverein burger zelf bevoegd was om namens het gezin op te treden en betrokken overheidsfunctionarissen ter verantwoording te roepen.

Zijn optreden leidde tot onrust en spanning bij de slachtoffers.

De rechtbank vindt dat dergelijke persoonlijke aanvallen op rechters en overheidsmedewerkers ook het gezag en het functioneren van de rechtsstaat kunnen aantasten.

Man betuigde spijt tijdens rechtszaak

Tijdens de behandeling op 25 september verklaarde de verdachte dat hij inmiddels inzag dat zijn manier van handelen verkeerd was geweest.

Hij bleef kritisch over de rol van Jeugdbescherming en andere betrokken instanties, maar erkende dat hij met zijn persoonlijke aanvallen te ver was gegaan.

Volgens de man was dat besef ontstaan tijdens een periode van twintig dagen detentie in juli en augustus 2026.

Hij verklaarde dat hij spijt had van het leed dat hij de betrokkenen had aangedaan.

De rechtbank vond zijn spijtbetuiging oprecht. Daarbij woog mee dat hij zich na het politieverhoor had teruggetrokken uit de kwestie en geen nieuwe vergelijkbare acties had ondernomen.

Ook hield de rechtbank rekening met het feit dat de man niet eerder strafrechtelijk was veroordeeld.

Reclassering schatte kans op herhaling hoog in

Uit rapportages over de verdachte kwam naar voren dat hij sterk vasthield aan zijn eigen overtuigingen en weinig vertrouwen had in overheidsinstanties en de rechtspraak.

Omdat hij onvoldoende meewerkte aan persoonlijkheidsonderzoek, kon geen volledige psychiatrische beoordeling worden afgerond.

De reclassering schatte het risico op herhaling hoog in.

Volgens de rechtbank zouden bijzondere voorwaarden gericht op behandeling of begeleiding weinig effect hebben, omdat de verdachte niet bereid was daaraan mee te werken.

De rechters vinden daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk als waarschuwing voor de toekomst.

Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Het Openbaar Ministerie had een taakstraf van 240 uur geëist, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

De rechtbank legt een lagere taakstraf op van 150 uur.

Daarnaast krijgt de verdachte zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk. Aan die straf is een proeftijd van drie jaar verbonden.

Wanneer de man binnen die periode opnieuw een strafbaar feit pleegt, kan de rechter beslissen dat hij alsnog de gevangenisstraf moet uitzitten.

De twintig dagen die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, worden omgerekend naar een vermindering van de taakstraf. Per dag voorarrest worden twee uren in mindering gebracht.

Drie jaar contactverbod met vijf slachtoffers

Naast de straffen heeft de rechtbank een contactverbod opgelegd voor de duur van drie jaar.

De verdachte mag in die periode geen rechtstreeks of indirect contact hebben met de twee medewerkers van Jeugdbescherming Overijssel, de betrokken wethouder van Kampen en de twee rechters.

Bij overtreding kan per keer maximaal twee weken vervangende hechtenis worden toegepast, met een totaalmaximum van zes maanden.

Het uitzitten van die hechtenis betekent niet dat het contactverbod vervalt.

Met de maatregel wil de rechtbank voorkomen dat de betrokkenen opnieuw met bedreigingen, intimidatie of andere belastende handelingen worden geconfronteerd.

Verzoek om schadevergoeding afgewezen

Een van de bedreigde medewerkers van Jeugdbescherming had een schadevergoeding van 600 euro gevraagd wegens immateriële schade.

De rechtbank wijst deze vordering af.

Volgens de rechters staat vast dat de bedreiging ingrijpend is geweest, maar is onvoldoende aangetoond dat sprake is van geestelijk letsel dat volgens de wettelijke criteria recht geeft op smartengeld.

De afwijzing van de schadevergoeding doet volgens de uitspraak niets af aan de bewezenverklaarde bedreiging.

Met het vonnis van 9 oktober 2026 heeft de rechtbank in Arnhem de man veroordeeld voor bedreiging, doxing en drie gevallen van laster. Of hij tegen de uitspraak in hoger beroep gaat, is nog niet bekend.