DEN HAAG, 16 maart 2026 – De rechtbank Den Haag heeft het besluit van de minister van Asiel en Migratie vernietigd in een zaak rond een minderjarige Syrische asielzoeker. Hoewel de jongen met onbekende bestemming is vertrokken, had de minister beter moeten onderzoeken of hij zijn rechten in Bulgarije wel kan uitoefenen.
De uitspraak van 16 maart 2026 legt een gevoelige snaar bloot in het asielbeleid voor minderjarigen met een status in een ander EU-land. De rechtbank oordeelt dat het ‘belang van het kind’ zwaarder weegt dan de proceshouding van de asielzoeker.
Onbekende bestemming (MOB)
De eiser, een jongen geboren in 2009 met de Syrische nationaliteit, vroeg in mei 2024 asiel aan in Nederland. De aanvraag werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat hij al een beschermingsstatus had in Bulgarije. Kort daarna vertrok de jongen met onbekende bestemming (met de status ‘met onbekende bestemming vertrokken’, ofwel mob).
Volgens de minister betekende zijn vertrek dat er geen procesbelang meer was; de jongen zou immers geen prijs meer stellen op bescherming in Nederland. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Hoewel de inhoudelijke asielaanvraag niet meer beoordeeld hoeft te worden, blijft de controle op het terugkeerbesluit noodzakelijk vanwege de grondrechten van het kind.
Belang van het kind veronachtzaamd
De rechtbank noemt de handelwijze van het ministerie “onzorgvuldig”. In eerdere fasen van de procedure was namelijk toegezegd dat de jongen niet terug hoefde naar Bulgarije, omdat hij minderjarig is en het onduidelijk was of hij daar zijn rechten kon effectueren. In het definitieve besluit van februari 2026 werd hem echter plotseling toch bevolen onmiddellijk naar Bulgarije te vertrekken
“Verweerder heeft op geen enkele wijze gemotiveerd dat eiser als minderjarige statushouder in Bulgarije zijn rechten kan effectueren,” aldus de rechtbank in de uitspraak.
Onderzoeksplicht bij uitzetting
De rechter benadrukt dat de overheid een actieve onderzoeksplicht heeft bij minderjarigen, gebaseerd op Europese richtlijnen en het Kinderrechtenverdrag (IVRK). Zelfs als een minderjarige is verdwenen, ontslaat dit de minister niet van de plicht om te toetsen of terugkeer veilig en humaan is.
De minister krijgt nu zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen dat wel voldoet aan de motiveringseisen en rekening houdt met de minderjarigheid van de betrokkene. Tevens is de staat veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van ruim 1.800 euro.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.