DEN HAAG – De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van een Pakistaanse man mocht afwijzen. De rechtbank vindt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig is. Dat staat in een uitspraak die op 15 juni 2026 is gepubliceerd.
De man, geboren in 2004, vroeg asiel aan in Nederland. Hij stelde dat hij in Pakistan problemen kreeg nadat hij bij een callcenter werkte waar klanten zouden zijn opgelicht. Volgens de man werd hij bedreigd door de eigenaar van het bedrijf en later ook door de politie mishandeld.
Verklaringen over callcenter niet aannemelijk
De rechtbank volgt de minister in het oordeel dat de verklaringen van de man niet samenhangend en aannemelijk zijn. Zo verklaarde de man wisselend over het moment waarop hij ontdekte dat het callcenter zich met fraude bezighield.
Ook vond de rechtbank het niet overtuigend dat de man sprak over een complot tussen zijn voormalige werkgever en de politie, terwijl hij dit vooral baseerde op vermoedens. Daarnaast leverde hij later alsnog documenten in die volgens de rechtbank niet goed pasten bij zijn eerdere verklaringen.
Reis via Dubai en Malta riep vragen op
De rechtbank oordeelt verder dat de man onvoldoende duidelijk heeft uitgelegd waarom hij naar Dubai reisde om een studievisum voor Malta op te halen. Volgens de rechtbank had hij dat visum ook in Pakistan kunnen aanvragen of ophalen.
Ook vond de rechter het onlogisch dat de man vanuit Dubai terugkeerde naar Pakistan, terwijl hij juist stelde daar gevaar te lopen. De rechtbank vindt daarom dat de minister de aanvraag als ongegrond mocht afwijzen.
Inreisverbod houdt geen stand
Toch krijgt de man deels gelijk. De minister had de aanvraag volgens de rechtbank niet als kennelijk ongegrond mogen afwijzen. De man stelde dat hij op 5 juni 2024 Nederland binnenkwam en zich op 7 juni 2024 meldde voor asiel.
Volgens de rechtbank leverde hij met boekingsgegevens een begin van bewijs voor zijn reisroute. De minister zette daar onvoldoende concreets tegenover. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de man zich wel tijdig heeft gemeld.
Vertrektermijn vastgesteld op vier weken
Omdat de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is behandeld, kan ook het daarop gebaseerde onmiddellijke vertrekbesluit niet ongewijzigd blijven. Het inreisverbod vervalt eveneens.
De rechtbank vernietigt het besluit van 17 november 2025, maar laat de afwijzing van de asielaanvraag inhoudelijk in stand. De vertrektermijn wordt vastgesteld op vier weken. De minister moet daarnaast 1.868 euro aan proceskosten betalen.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.







