De VVD was jarenlang de machtigste politieke partij van Nederland. Maar na veertien jaar premierschap van Mark Rutte, een reeks pijnlijke beleidskeuzes en toenemende verdeeldheid onder Dilan Yeşilgöz rijst de vraag of de liberalen zichzelf niet langzaam overbodig maken. Ik dook in de politieke geschiedenis, de financiële cijfers en de gevolgen van het VVD-beleid. Mijn conclusie: de VVD heeft nog een toekomst, maar alleen als zij eindelijk durft te erkennen wat er in het verleden verkeerd is gegaan.

Een partij die haar eigen kiezers kwijtraakt

Ik heb de VVD de afgelopen twintig jaar zien veranderen van een partij die vrijheid, verantwoordelijkheid en een betrouwbare overheid hoog in het vaandel had staan, naar een partij die steeds vaker worstelt met haar eigen identiteit.

Ooit was de VVD de partij van de middenstander, de hardwerkende Nederlander, de ondernemer die met zijn eigen handen iets opbouwde en de burger die niet voor ieder probleem bij de overheid wilde aankloppen. Die uitgangspunten zijn op zichzelf niet verkeerd. Integendeel. Een samenleving heeft ondernemerschap, economische vrijheid en mensen die verantwoordelijkheid nemen hard nodig.

Maar ergens onderweg lijkt de VVD te zijn vergeten dat vrijheid weinig betekenis heeft wanneer mensen geen betaalbaar huis kunnen vinden, hun energierekening nauwelijks kunnen betalen of na veertig jaar werken nog steeds bang moeten zijn om financieel kopje-onder te gaan.

Lees ook · ColumnsVVD onder Dilan Yeşilgöz verliest vertrouwen van de kiezer

De peilingen tonen een structurele daling, en binnen de partij klinkt groeiende onrust over koers, stijl en geloofwaardigheid.

De electorale cijfers spreken boekdelen.

In 2012 behaalde de VVD onder Mark Rutte nog 41 Tweede Kamerzetels. In 2021 waren dat er 34, in 2023 nog 24 en bij de verkiezingen van oktober 2025 bleven er 22 over.

Van 41 naar 22 zetels. Dat is geen tijdelijke tegenwind meer. Dat is een politieke waarschuwing.

En hoewel de VVD nog altijd een belangrijke regeringspartij is, laten de peilingen zien dat het vertrouwen verder onder druk staat.

Ik vraag mij daarom af hoelang een partij kan blijven beweren dat zij de belangen van hardwerkend Nederland verdedigt, wanneer steeds meer Nederlanders kennelijk het gevoel hebben dat die partij hen niet langer vertegenwoordigt.

Dilan Yeşilgöz en de crisis van het leiderschap

De huidige partijleider, Dilan Yeşilgöz, is tegelijkertijd vicepremier en minister van Defensie. Daarmee heeft zij een van de zwaarste functies binnen het kabinet-Jetten.

Ik twijfel niet aan het belang van haar ministerschap. De internationale veiligheidssituatie is ernstig. Rusland voert oorlog tegen Oekraïne, Europese landen moeten hun defensie versterken en de Verenigde Staten zijn onder Donald Trump een minder voorspelbare bondgenoot geworden.

Maar een goede minister is niet automatisch een goede partijleider.

En juist op dat laatste punt zie ik bij Yeşilgöz een steeds groter probleem.

Uit onderzoek van EenVandaag in september 2026 bleek dat minder dan de helft van de VVD-stemmers nog vertrouwen had in haar als partijleider. Kort na de verkiezingen van 2025 was dat nog 81 procent.

Dat is een dramatische ontwikkeling.

De VVD heeft bovendien een bijzonder probleem: vanuit verschillende politieke richtingen klinkt kritiek op dezelfde leider.

De rechterflank vindt dat zij te veel concessies doet aan progressieve partijen. Gematigde liberalen ergeren zich juist aan haar confronterende politieke stijl, die volgens critici steeds meer populistische kenmerken krijgt.

Ik zie een partijleider die voortdurend probeert twee verschillende groepen tevreden te houden en daardoor het risico loopt beide groepen kwijt te raken.

Daar komt bij dat de minister van Defensie dagelijks verantwoordelijk is voor internationale veiligheid, terwijl de partijleider juist nadrukkelijk aanwezig moet zijn in het binnenlandse politieke debat.

Die combinatie is niet onmogelijk, maar vraagt om uitzonderlijk leiderschap.

En dat leiderschap zie ik op dit moment onvoldoende.

De VVD verliest leden door samenwerking met PRO

De gebeurtenissen rond de begrotingsafspraken van eind september maken de verdeeldheid pijnlijk zichtbaar.

De VVD had zich tijdens de verkiezingscampagne nadrukkelijk afgezet tegen samenwerking met de progressieve fusiepartij PRO, onder leiding van Jesse Klaver.

Maar een minderheidskabinet kan nu eenmaal niet regeren zonder steun van oppositiepartijen.

Toen het kabinet bij de begrotingsonderhandelingen toenadering zocht tot PRO en voorgenomen ingrepen in de sociale zekerheid werden aangepast, sloeg bij een deel van de VVD-achterban de vlam in de pan.

Volgens de NOS kwamen er in de dagen direct na de presentatie van de aangepaste kabinetsplannen 78 opzeggingen binnen bij de VVD. Daartegenover stonden 21 nieuwe aanmeldingen.

Geen massale leegloop van duizenden leden, maar wel een opmerkelijk en concreet signaal van onvrede.

Ik vind vooral de politieke tegenstrijdigheid interessant.

Waarom zou het verkeerd zijn om met PRO te onderhandelen wanneer daarmee een fatsoenlijke begroting tot stand komt?

Is de VVD er om het land te besturen, of om haar eigen achterban voortdurend te bewijzen dat zij vooral niet met links praat?

Ik vind het onverstandig om samenwerking met andere democratische partijen tot een politiek taboe te verheffen. Nederland heeft juist behoefte aan bestuurders die bereid zijn compromissen te sluiten.

Maar dan moet een partij niet eerst jarenlang vertellen dat samenwerking uitgesloten is.

Want wie vandaag iets principieel afwijst en morgen hetzelfde accepteert, moet niet verbaasd zijn wanneer kiezers zich afvragen waar de partij eigenlijk voor staat.

Het gevaar van de politieke stijl van Donald Trump

Wat mij daarnaast zorgen baart, is de politieke stijl waarmee Yeşilgöz zich de afgelopen jaren heeft geprofileerd.

Ik zie daarin soms trekken van het politieke optreden van Donald Trump: harde aanvallen, scherpe persoonlijke confrontaties en communicatie waarbij de emotionele reactie belangrijker lijkt dan de inhoud.

Ik sta daarin niet alleen. Voormalig VVD-spindoctor Bas Erlings vergeleek in juni 2025 een bericht van Yeşilgöz op sociale media zelfs met de stijl van Trump.

Dat betekent overigens niet dat Yeşilgöz alle opvattingen van de Amerikaanse president deelt. Zij heeft zijn handelstarieven bekritiseerd, gewaarschuwd voor Europese afhankelijkheid van Washington en benadrukt dat Oekraïne gesteund moet blijven worden.

Dat onderscheid vind ik belangrijk.

Maar ik vind ook dat zij zich bij de omgang met Trump soms nadrukkelijker moet uitspreken over de democratische waarden die op het spel staan.

Toen in april 2026 het koninklijk bezoek aan Trump ter discussie stond, verdedigde Yeşilgöz dat bezoek vooral vanuit het diplomatieke belang om toegang tot de Amerikaanse president te behouden.

Daar kan ik begrip voor opbrengen. Diplomatie betekent nu eenmaal dat je soms moet praten met leiders met wie je fundamenteel van mening verschilt.

Maar diplomatie mag nooit ontaarden in politieke onderdanigheid.

De VVD is een liberale partij. Dan verwacht ik dat zij zonder aarzeling opkomt voor onafhankelijke rechtspraak, persvrijheid, internationale rechtsregels en de democratische rechtsstaat.

Ik wil geen Nederlandse variant van de Amerikaanse Republikeinse Partij zien ontstaan, waarin loyaliteit aan een politieke leider belangrijker wordt dan beginselen.

Wie vrijheid in zijn partijnaam draagt, moet vrijheid ook verdedigen wanneer dat politiek ongemakkelijk is.

Stef Blok en de ontmanteling van de sociale volkshuisvesting

Een van de zwaarste verwijten die ik de VVD maak, betreft het Nederlandse woonbeleid.

Daarbij kom ik onvermijdelijk uit bij Stef Blok, die van 2012 tot 2017 minister voor Wonen en Rijksdienst was.

Onder zijn verantwoordelijkheid werd de verhuurderheffing ingevoerd. Woningcorporaties moesten miljarden euro's afdragen aan de schatkist.

Volgens brancheorganisatie Aedes betaalden corporaties gedurende het bestaan van die heffing meer dan 13,8 miljard euro.

Laat dat bedrag eens goed doordringen.

Meer dan dertien miljard euro die niet beschikbaar was voor nieuwe sociale huurwoningen, onderhoud, verduurzaming of lagere woonlasten.

Het Centraal Planbureau heeft bovendien vastgesteld dat de invoering van de verhuurderheffing vooral leidde tot een forse daling van de woninginvesteringen door corporaties.

En wat gebeurde er tegelijkertijd?

De deur voor commerciële en buitenlandse vastgoedbeleggers ging verder open.

In 2014 verkocht woningcorporatie Vestia een portefeuille van 5.490 woningen aan de Duitse belegger Patrizia. Niet al die woningen waren sociale huurwoningen en de transactie hing ook samen met de financiële problemen bij Vestia.

Maar de politieke richting was duidelijk.

In 2015 gaf een hoge ambtenaar van het ministerie tijdens een bijeenkomst in Londen internationale investeerders uitleg over de mogelijkheden om Nederlandse corporatiewoningen te kopen.

Blok zag commerciële investeringen nadrukkelijk als onderdeel van de oplossing voor de woningmarkt.

Ik beschouw die koers als een fundamentele politieke vergissing.

Wonen is geen luxeproduct. Een betaalbaar dak boven je hoofd is een basisvoorwaarde om een bestaan op te bouwen.

Natuurlijk hebben particuliere investeerders een functie op de woningmarkt. Maar wanneer het rendement voor aandeelhouders belangrijker wordt dan betaalbaarheid voor bewoners, ontstaat een fundamenteel probleem.

Woningen die vroeger tegen gereguleerde huren beschikbaar waren, konden na verkoop en onder bepaalde voorwaarden bij nieuwe verhuur in een duurder huursegment terechtkomen.

Het beeld van beleggers die na een likje verf de huur verdubbelen, is niet als algemene praktijk voor de gehele woningmarkt te onderbouwen. Maar het bredere probleem van liberalisering, forse huurprijsverschillen en het verdwijnen van betaalbare woningen is wel degelijk reëel.

En ondertussen werd het voor jongeren en middeninkomens steeds moeilijker een betaalbare woning te vinden.

Van sociale huur naar koopwoningen: wie kan er nog wonen?

Soms wordt gezegd dat vroeger 60 tot 65 procent van alle nieuwe woningen uit sociale huur bestond.

Bij dergelijke historische vergelijkingen moet worden opgepast. Het CBS heeft bijvoorbeeld vastgesteld dat in 1971 ongeveer 65 procent van de bestaande Nederlandse woningvoorraad uit huurwoningen bestond. Dat is niet hetzelfde als het aandeel sociale huur in de toenmalige nieuwbouw.

Wat wel vaststaat, is dat het Nederlandse woningbeleid al decennialang verschuift richting eigenwoningbezit.

Dat proces begon overigens ruim voordat Stef Blok minister werd.

In 2025 bouwden woningcorporaties volgens het CBS 21.500 nieuwe huurwoningen. Dat was 31 procent van alle opgeleverde nieuwbouwwoningen en het hoogste aantal corporatienieuwbouwwoningen sinds 2012.

Lees ook · OnderzoekOnderzoek: “Verloren volkshuisvesting: hoe Stef Blok ruimte gaf aan ontwikkelaars”

Ik bespreek hier hoe dat beleid eruitzag, wat de gevolgen waren, en in hoeverre het terecht is om te spreken van “ziel verkopen aan de projectontwikkelaars”.

Er is dus inmiddels sprake van enig herstel.

Maar dat verandert niets aan de enorme achterstand die in eerdere jaren is ontstaan.

Zij verdienen soms te veel voor sociale huur, maar te weinig om een woning te kopen.

Dat is de groep die in de politieke discussie voortdurend tussen wal en schip valt.

Ik vraag mij af wat er nog liberaal is aan een woningmarkt waarop iemand met een modaal inkomen nauwelijks zelfstandig een bestaan kan opbouwen.

Vrijheid betekent immers ook dat je de mogelijkheid hebt je eigen leven vorm te geven.

Wanneer de woningmarkt die vrijheid blokkeert, schiet het beleid tekort.

Eerst gevangenissen sluiten en vervolgens klagen over een tekort

De woningmarkt is niet het enige dossier waarop ik de VVD verantwoordelijk houd voor beleidskeuzes die jaren later grote problemen veroorzaken.

Neem het gevangeniswezen.

In 2013 presenteerde VVD-staatssecretaris Fred Teeven ingrijpende bezuinigingsplannen. Uiteindelijk werd in het aangepaste masterplan uitgegaan van de sluiting van negentien gevangenislocaties en tweeduizend boventallige functies.

In 2018 besloot het kabinet-Rutte III opnieuw vier gevangenissen te sluiten.

Daaronder bevond zich de gevangenis in Zwaag, bij Hoorn.

Ook Almere, Zeist en Zoetermeer verloren hun gevangenis.

Het argument was destijds begrijpelijk: de criminaliteit was gedaald en veel cellen stonden leeg.

Een overheid hoeft geen lege gevangenissen onbeperkt open te houden.

Maar juist hier zie ik het verschil tussen kortetermijnbesparingen en langetermijnbeleid.

In september 2026 meldde de Dienst Justitiële Inrichtingen dat er ongeveer zeshonderd vacatures openstonden. Door personeelstekorten konden circa 150 tot 200 bestaande cellen niet worden gebruikt.

Sinds eind 2024 is bij de dienst sprake van 'code zwart'.

En wat besloot het kabinet in juni 2026?

De eerder gesloten gevangenis in Almere moet weer open. Daarmee moeten op termijn 320 extra cellen beschikbaar komen.

Ik kan daar moeilijk geen wrange ironie in zien.

Eerst capaciteit afbouwen, gebouwen sluiten en mensen laten vertrekken. Jaren later ontdekken dat de capaciteit opnieuw nodig is.

Dat heeft bovendien een prijs die niet alleen in euro's valt uit te drukken.

Gevangenispersoneel ervaart enorme werkdruk, gedetineerden kunnen niet altijd tijdig worden geplaatst en het vertrouwen in de uitvoering van opgelegde straffen komt onder druk te staan.

Ik noem dat geen verstandig langetermijnbestuur.

Ook de asielopvang werd slachtoffer van kortetermijndenken

Bij de opvang van asielzoekers zie ik een vergelijkbaar patroon.

Na de hoge asielinstroom van 2015 werd de opvangcapaciteit snel afgebouwd.

In december 2016 kondigde het Centraal Orgaan opvang asielzoekers aan nog eens 13.500 opvangplaatsen af te schalen. Ongeveer duizend tijdelijke personeelscontracten werden niet verlengd.

Dat besluit kwam voort uit lagere instroomverwachtingen.

Maar een opvangorganisatie is geen supermarkt die vandaag twintig winkels sluit en morgen zonder problemen twintig nieuwe opent.

Gebouwen verdwijnen, medewerkers zoeken ander werk en afspraken met gemeenten lopen af.

Toen het aantal mensen dat opvang nodig had later opnieuw toenam, bleek het systeem onvoldoende veerkrachtig.

De regering erkende in 2022 zelf dat de eerdere afschaling na 2016 een van de oorzaken was van het tekort aan opvangplaatsen.

Andere oorzaken waren de hogere instroom en het vastlopen van de doorstroming van statushouders naar reguliere woningen.

Daarmee hangt de opvangcrisis zelfs rechtstreeks samen met de woningcrisis.

Ik vind het dan wel heel gemakkelijk wanneer politici de problemen vervolgens uitsluitend toeschrijven aan het aantal asielzoekers.

Natuurlijk moet Nederland kunnen bepalen wie bescherming krijgt, moeten procedures sneller verlopen en moeten mensen zonder verblijfsrecht kunnen terugkeren.

Maar een overheid die jarenlang capaciteit afbreekt, kan niet doen alsof alle problemen uitsluitend van buitenaf komen.

Ik verwacht van een betrouwbare partij dat zij verantwoordelijkheid neemt voor haar eigen besluiten.

De werkende Nederlander is meer dan een belastingbetaler

De VVD noemt zichzelf graag de partij van hardwerkend Nederland.

Maar wie is die hardwerkende Nederlander eigenlijk?

Voor mij is dat niet alleen de ondernemer met een succesvol bedrijf of de directeur met een uitstekend salaris.

Het is ook de bouwvakker die om zes uur 's morgens vertrekt. De verpleegkundige die nachtdiensten draait. De schoonmaker die meerdere banen combineert. De alleenstaande ouder die iedere maand de eindjes aan elkaar moet knopen.

Juist voor die mensen vind ik dat de VVD de afgelopen jaren onvoldoende overtuigend is opgekomen.

Niet omdat alle belastingen onder de VVD uitsluitend zijn verhoogd. Dat zou een onjuiste voorstelling van zaken zijn.

Uit nieuwe CBS-cijfers blijkt bijvoorbeeld dat de mediane directe belastingdruk van huishoudens tussen 2011 en 2024 juist is gedaald, van 15,4 naar 12,3 procent van het bruto huishoudensinkomen.

Lees ook · FinancieelKabinet-Jetten legt 5,5 miljard extra lasten bij arbeid

Kabinet-Jetten verhoogt volgens de CPB-doorrekening de lasten op arbeid met 5,5 miljard euro, terwijl vermogen en winst worden ontzien.

Maar deze cijfers vertellen niet het hele verhaal.

Indirecte belastingen, zoals de btw, zijn daarin niet meegerekend. Hetzelfde geldt voor de druk van woonlasten, energie, verzekeringen en andere vaste uitgaven.

Bovendien blijkt uit CBS-onderzoek dat eenverdieners bij hetzelfde huishoudensinkomen vaak meer belasting betalen dan tweeverdieners.

Ik vind dat een belangrijk voorbeeld van hoe ingewikkeld en soms oneerlijk het Nederlandse belastingstelsel is geworden.

Ook het voortdurend aanpassen en afbouwen van toeslagen kan ervoor zorgen dat mensen van extra werken verrassend weinig overhouden.

Daar ligt voor mij de echte opdracht van de VVD.

Niet simpelweg roepen dat de belastingen omlaag moeten, maar ervoor zorgen dat een normaal salaris weer voldoende is om normaal van te kunnen leven.

De rekening van de begrotingsdiscipline

Tegelijkertijd wil ik de VVD niet uitsluitend afrekenen op haar fouten.

Want er is ook iets waarvoor de liberalen waardering verdienen: hun doorgaans grote aandacht voor gezonde overheidsfinanciën.

Nederland behoort tot de Europese landen die hun staatsschuld relatief goed beheersbaar hebben gehouden.

Volgens het CBS bedroeg de Nederlandse overheidsschuld halverwege 2026 ongeveer 524 miljard euro, oftewel 43,7 procent van het bruto binnenlands product.

Dat ligt ruim onder de Europese referentiewaarde van 60 procent.

De Miljoenennota 2027 rekent voor eind 2027 op een overheidsschuld van 46,9 procent.

Dat is een financieel sterke uitgangspositie.

En de VVD heeft, samen met verschillende coalitiepartners, bijgedragen aan een politieke cultuur waarin begrotingsdiscipline belangrijk is.

Dat verdient erkenning.

Lees ook · OnderzoekOnderzoek: Nederland: een financieel keurige leerling met kanttekeningen

Nederland heeft een gezonde staatsschuld van 48% bbp, maar stijgende uitgaven en rente drukken de houdbaarheid. Vergelijking met EU toont sterke, maar niet risicovrije positie.

Maar ik plaats er wel een stevige kanttekening bij.

Voor 2027 wordt namelijk een begrotingstekort van 2,9 procent verwacht. Dat ligt dicht bij de Europese referentiewaarde van 3 procent.

En een lage staatsschuld zegt niet automatisch dat een overheid verstandig heeft geïnvesteerd.

Wat heb je aan een lage schuld wanneer er te weinig sociale huurwoningen zijn, gevangenissen kampen met personeelstekorten en opvangorganisaties voortdurend noodvoorzieningen moeten organiseren?

Ik vind dat Nederland best trots mag zijn op zijn financiële positie.

Maar ik vind ook dat de VVD moet erkennen dat goedkoop beleid op korte termijn buitengewoon duur kan worden op lange termijn.

Een gezonde schatkist is belangrijk. Een gezonde samenleving minstens zo belangrijk.

Nederland betaalt meer aan Europa dan het terugkrijgt

Ook de financiële verhouding met de Europese Unie verdient aandacht.

Nederland is al sinds de jaren negentig een nettobetaler aan de Europese begroting.

Volgens de Algemene Rekenkamer droeg Nederland in 2024 ongeveer 7,5 miljard euro af aan de EU, terwijl er ongeveer 3,2 miljard euro aan Europese subsidies terugkwam.

Dat betekent een verschil van ongeveer 4,3 miljard euro.

Ik vind dat Nederland kritisch moet blijven kijken naar Europese uitgaven en verspilling moet tegengaan.

Maar ik wil ook niet doen alsof dat bedrag gelijkstaat aan het totale economische verlies van het EU-lidmaatschap.

Nederland profiteert enorm van de Europese interne markt.

Het Centraal Planbureau berekende dat de extra handel binnen de Europese interne markt het Nederlandse bruto binnenlands product structureel ongeveer 3,1 procent hoger maakt.

Dat vertegenwoordigt tientallen miljarden euro's aan economische activiteit.

En juist daarin heeft de VVD traditioneel een belangrijke rol gespeeld.

Vrijhandel, internationale samenwerking, een aantrekkelijk ondernemingsklimaat en een sterke exportpositie hebben Nederland welvaart gebracht.

De VVD heeft die uitgangspunten doorgaans consequent verdedigd.

Dat reken ik nadrukkelijk tot de positieve kanten van haar politieke erfenis.

De erfenis van Mark Rutte: economische stabiliteit en beschadigd vertrouwen

Toch kan ik de toekomst van de VVD onmogelijk beoordelen zonder terug te kijken naar de periode-Rutte.

Veertien jaar lang leverde de VVD de minister-president.

Rutte wist uiteenlopende coalities bijeen te houden, loodste Nederland door verschillende economische en maatschappelijke crises en verwierf internationaal aanzien.

Die bestuurlijke ervaring was waardevol.

Maar daartegenover staat een ernstig beschadigd vertrouwen in de overheid.

De toeslagenaffaire is daarvan het pijnlijkste voorbeeld.

Duizenden ouders werden door een keihard overheidssysteem vermalen. De parlementaire onderzoekscommissie sprak van ongekend onrecht.

Het kabinet-Rutte III trad er in januari 2021 uiteindelijk over af.

Ik verwijt niet iedere individuele VVD'er persoonlijk wat daar is misgegaan. Ook andere partijen, ministeries, uitvoeringsorganisaties en de Tweede Kamer dragen verantwoordelijkheid.

Maar wie veertien jaar de premier levert, kan onmogelijk volhouden dat de eigen partij slechts een toeschouwer was.

Hetzelfde geldt voor de woningmarkt, de ingewikkelde toeslagenregelingen en de jarenlange problemen met de uitvoering van overheidsbeleid.

Ik mis bij de VVD nog altijd een grondige publieke erkenning van die bestuurlijke erfenis.

Niet een algemeen excuus waarin wordt gezegd dat er fouten zijn gemaakt.

Ik bedoel een echte politieke zelfevaluatie waarin wordt uitgelegd welke besluiten verkeerd uitpakten, waarom signalen werden genegeerd en hoe de partij voorkomt dat dezelfde fouten opnieuw worden gemaakt.

Zonder die erkenning blijft het vertrouwen kwetsbaar.

Wat moet de VVD doen om opnieuw betrouwbaar te worden?

Als ik de VVD zou mogen adviseren, zou ik beginnen met iets wat politici zelden graag doen: ophouden voortdurend de eigen koers te verdedigen en eerst luisteren naar de mensen die het vertrouwen zijn kwijtgeraakt.

Ik zou een onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren naar de belangrijkste beleidskeuzes van de VVD sinds 2010.

Niet om individuele oud-ministers publiekelijk af te rekenen, maar om lessen te trekken uit het woonbeleid, de gevangenisbezuinigingen, de asielopvang en de uitvoering van de sociale zekerheid.

Vervolgens zou ik de partij opnieuw laten bepalen voor wie zij eigenlijk bestaat.

Mijn voorkeur zou uitgaan naar een liberaal programma waarin werken daadwerkelijk loont, kleine ondernemers kunnen groeien en mensen met een gewoon inkomen weer perspectief krijgen op een betaalbare woning.

Dat betekent wat mij betreft een veel steviger inzet op sociale en betaalbare middenhuur.

Het betekent ook dat de partij eerlijker moet kijken naar vermogens, winsten en arbeid.

Ik ben niet tegen mensen die rijk zijn geworden door ondernemerschap, risico's en jarenlang hard werken.

Maar ik verzet mij tegen een systeem waarin een werknemer over iedere verdiende euro belasting betaalt, terwijl grotere vermogens soms over meer mogelijkheden beschikken om belastingdruk te beperken of uit te stellen.

Een betrouwbare liberale partij moet economische vrijheid verdedigen, maar ook eerlijke spelregels.

Ik zou daarnaast veel meer investeren in de kwaliteit van de overheid.

Geen nieuwe bezuinigingsronde op uitvoeringsorganisaties voordat duidelijk is wat daarvan de gevolgen zijn.

Geen politieke beloften die de Belastingdienst, gemeenten of andere uitvoerders vervolgens onmogelijk kunnen waarmaken.

En vooral: geen bezuinigingen presenteren als winst wanneer de rekening enkele jaren later alsnog op tafel komt.

Moet Dilan Yeşilgöz vertrekken?

Uiteindelijk kom ik terug bij de meest gevoelige vraag.

Kan de VVD onder Dilan Yeşilgöz haar vertrouwen herstellen?

Ik sluit dat niet volledig uit, maar ik heb ernstige twijfels.

Zij heeft politieke ervaring, kent de Haagse verhoudingen en draagt als minister van Defensie een zware verantwoordelijkheid in een gevaarlijke internationale periode.

Dat zijn kwaliteiten die ik niet wil ontkennen.

Maar ik vind dat haar leiderschap tot dusver onvoldoende heeft geleid tot een duidelijke, herkenbare en verbindende liberale koers.

In juni bleek uit onderzoek van EenVandaag al dat VVD-kiezers Ruben Brekelmans vaker als gewenste toekomstige lijsttrekker noemden dan Yeşilgöz.

Dat betekent niet automatisch dat hij de oplossing is.

Een nieuwe leider zonder nieuwe koers verandert immers weinig.

Maar ik denk wel dat de VVD serieus moet nadenken over de vraag of zij met haar huidige politieke leider nog een geloofwaardige nieuwe start kan maken.

Misschien is de combinatie van partijleiderschap en het ministerschap van Defensie uiteindelijk te zwaar.

Misschien is een duidelijke scheiding tussen beide functies beter.

En misschien moet de partij erkennen dat Yeşilgöz wel een belangrijke minister kan zijn, maar niet noodzakelijk degene die de VVD naar een volgende verkiezingsoverwinning moet leiden.

Dat is geen persoonlijk oordeel over haar karakter, maar een beoordeling van haar politieke positie en resultaten.

Mijn conclusie: de VVD heeft een toekomst, maar niet zonder verandering

Ik geloof niet dat de VVD gedoemd is te verdwijnen.

Daarvoor heeft het liberale gedachtegoed te veel waarde.

Nederland heeft een politieke partij nodig die economische vrijheid verdedigt, ondernemers ruimte geeft, de overheidsfinanciën bewaakt en internationale samenwerking serieus neemt.

Maar ik geloof evenmin dat de VVD haar problemen oplost door nog harder naar links uit te halen, nog scherper over migratie te spreken of nog vaker te roepen dat zij er is voor hardwerkend Nederland.

Die woorden zijn inmiddels te goedkoop geworden.

Ik wil een partij zien die begrijpt dat een verpleegkundige zonder betaalbare woning niet vrij is. Dat een jonge ondernemer die geen financiering krijgt niet vrij is. Dat iemand die door ingewikkelde overheidsregels wordt vermalen niet vrij is.

En dat een samenleving waarin alleen mensen met veel vermogen zich financiële zekerheid kunnen veroorloven, uiteindelijk geen samenleving is waarin iedereen gelijke kansen heeft.

De VVD heeft onder Mark Rutte veel politieke macht gehad. Zij heeft meegewerkt aan economische stabiliteit, maar ook aan besluiten waarvan de gevolgen nog jarenlang voelbaar zullen zijn.

Daarom vind ik dat de partij zichzelf één fundamentele vraag moet stellen.

**Willen wij de partij blijven die vooral goed op de schatkist past, of willen wij opnieuw de partij worden die ervoor zorgt dat Nederlanders ook daadwerkelijk iets van hun welvaart merken?**

Want een overheid kan een voorbeeldige staatsschuld hebben terwijl haar burgers financieel vastlopen.

En een partij kan honderd keer verklaren dat zij betrouwbaar is, maar vertrouwen wordt niet verdiend met slogans.

Vertrouwen wordt verdiend door verantwoordelijkheid te nemen. Door fouten te erkennen. Door consequent te handelen. En door ook op te komen voor mensen die geen machtige lobbyorganisatie hebben om hun belangen te verdedigen.

Voor de VVD ligt daar de laatste grote kans.

Niet in het kopiëren van Donald Trump. Niet in een permanente strijd met PRO. Niet in het krampachtig vasthouden aan oude economische dogma's.

Maar in een terugkeer naar een liberalisme dat vrijheid koppelt aan verantwoordelijkheid en welvaart aan rechtvaardigheid.

**Mijn grootste vrees is dan ook niet dat de VVD verdwijnt. Mijn grootste vrees is dat de VVD blijft bestaan, maar ondertussen vergeet waarom zij ooit werd opgericht.**

En dan maakt het uiteindelijk weinig meer uit wie er aan het roer staat.