HOORN – Een juridische fout die ervoor zorgde dat een veroordeelde dansleraar uit Hoorn ondanks een beroepsverbod les kon blijven geven aan minderjarigen, moet in hoger beroep worden rechtgezet. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft het gerechtshof in Amsterdam gevraagd om een onmiddellijk uitvoerbaar lesverbod op te leggen aan de 42-jarige man, die wordt verdacht van ontucht met twee minderjarige leerlingen. Daarnaast eist justitie een langdurige gevangenisstraf en een beroepsverbod van vijf jaar
Het hoger beroep draait niet alleen om de vraag welke straf de verdachte moet krijgen. Ook moet worden voorkomen dat een eventueel nieuw verbod op lesgeven opnieuw juridisch onuitvoerbaar blijkt. Die situatie ontstond na de uitspraak van de rechtbank in 2023.
Destijds werd de dansleraar veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en een beroepsverbod van vijf jaar. De rechtbank bepaalde dat het verbod onmiddellijk moest ingaan. Omdat de man tegen zijn veroordeling in hoger beroep ging, bleek die beslissing echter niet uitvoerbaar.
Het Openbaar Ministerie probeert die fout nu te herstellen door het gerechtshof om aanvullende voorwaarden te vragen.
Dansschool vormt achtergrond van zedenzaak
De verdachte was jarenlang actief als dansdocent en gaf leiding aan een dansschool waar onder meer lessen voor dansparen werden verzorgd.
Binnen de school was ook een formatiegroep actief. Deze bestond uit zowel volwassenen als minderjarige dansers, die gezamenlijk trainden en aan wedstrijden deelnamen.
De groep reisde regelmatig naar verschillende plaatsen in Nederland om aan danswedstrijden mee te doen. De twee meisjes die centraal staan in de strafzaak maakten deel uit van deze formatie.
Volgens justitie gebruikte de dansleraar zijn positie tegenover de leerlingen om ontuchtige handelingen te plegen.
De verdenkingen hebben betrekking op meerdere gebeurtenissen tussen juli 2012 en september 2013. De meisjes waren gedurende die periode minderjarig.
Eerdere veroordeling leidde niet tot onmiddellijk verbod
In 2023 achtte de rechtbank de beschuldigingen bewezen en legde de man een gevangenisstraf van 36 maanden op.
Het Openbaar Ministerie had tijdens die procedure ook gevraagd om een beroepsverbod. De officier van justitie wilde dat de verdachte gedurende vijf jaar geen danslessen meer aan minderjarigen zou mogen geven.
De rechtbank nam die eis over en verklaarde het verbod onmiddellijk uitvoerbaar.
Daarmee leek de mogelijkheid voor de verdachte om als dansleraar met kinderen en jongeren te werken direct te zijn beëindigd.
De juridische werkelijkheid bleek anders.
Een beroepsverbod dat als bijkomende straf wordt opgelegd, kan namelijk pas worden uitgevoerd wanneer een veroordeling definitief is. Zodra de verdachte hoger beroep instelde, was daarvan geen sprake meer.
Het gevolg was dat het eerder uitgesproken beroepsverbod niet kon worden gehandhaafd zolang de strafzaak nog liep.
Openbaar Ministerie betreurt gemaakte fout
De onbedoelde gevolgen van de uitspraak leidden tot kritiek en vragen over de bescherming van minderjarige leerlingen.
Ook werd duidelijk dat niet alleen de rechtbank, maar eveneens het Openbaar Ministerie bij de oorspronkelijke formulering van het beroepsverbod een fout had gemaakt.
De officier van justitie had in 2023 een onmiddellijke uitvoering van het beroepsverbod geëist, terwijl de wet daarvoor in die vorm geen mogelijkheid bood.
Het OM heeft inmiddels erkend dat de eis anders had moeten worden opgesteld en betreurt dat dit niet is gebeurd.
De kwestie speelt nu een belangrijke rol bij de nieuwe behandeling van de strafzaak.
Bijzondere voorwaarde moet gat in bescherming voorkomen
Om te voorkomen dat de verdachte opnieuw zonder onmiddellijk lesverbod blijft zolang juridische procedures lopen, kiest justitie voor een andere aanpak.
Het Openbaar Ministerie vraagt het gerechtshof om als bijzondere voorwaarde vast te leggen dat de verdachte geen danslessen mag verzorgen voor minderjarigen.
Deze voorwaarde moet gekoppeld worden aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf, waarvoor het OM een proeftijd van drie jaar wil.
Anders dan het afzonderlijke beroepsverbod kan een bijzondere voorwaarde onder wettelijke omstandigheden wel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Daarvoor moet het gerechtshof uitdrukkelijk beslissen dat onmiddellijke uitvoering noodzakelijk is.
Wanneer het hof die beslissing neemt, geldt het lesverbod vanaf het arrest, ook wanneer de verdachte daarna nog naar de Hoge Raad stapt.
Hiermee wil justitie voorkomen dat een eventuele cassatieprocedure opnieuw leidt tot een langdurige periode waarin het verbod niet kan worden uitgevoerd.
Ook langdurig beroepsverbod blijft onderdeel van eis
Het Openbaar Ministerie wil naast deze onmiddellijke maatregel een beroepsverbod van vijf jaar.
Dat verbod moet ingaan zodra de strafzaak definitief is afgerond.
De voorgestelde maatregelen hebben daarmee ieder een eigen functie. De bijzondere voorwaarde moet op korte termijn bescherming bieden, terwijl het beroepsverbod voor een langere periode moet voorkomen dat de verdachte danslessen aan minderjarigen verzorgt.
Justitie vindt beide maatregelen noodzakelijk vanwege de aard van de verdenkingen en de positie die de verdachte als dansleraar had tegenover zijn leerlingen.
Het beroepsverbod heeft uitsluitend betrekking op danslessen aan minderjarigen en is geen algemeen verbod op alle werkzaamheden.
Celstraf van bijna drie jaar geëist
In hoger beroep verlangt het Openbaar Ministerie opnieuw een aanzienlijke gevangenisstraf.
Volgens de openingspassage van het verstrekte OM-persbericht gaat het om 34 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Verderop in hetzelfde bericht wordt echter een gevangenisstraf van 36 maanden genoemd, eveneens met zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaar.
Het verschil tussen beide passages is niet toegelicht.
De eerdere rechtbankuitspraak uit 2023 hield een gevangenisstraf van 36 maanden in, naast het beroepsverbod van vijf jaar. De verdachte ging tegen die uitspraak in hoger beroep.
Het is aan het gerechtshof om opnieuw te bepalen welke feiten bewezen zijn en welke straf daaraan moet worden verbonden.
Uitspraak bepaalt of lesverbod direct ingaat
De beslissing van het gerechtshof wordt van belang voor zowel de verdachte als de betrokken slachtoffers.
Vooral de vraag of een nieuw verbod op lesgeven onmiddellijk uitvoerbaar kan worden gemaakt, speelt daarbij een belangrijke rol.
Een beroepsverbod zonder aanvullende bijzondere voorwaarde zou immers opnieuw pas van kracht kunnen worden wanneer de strafzaak definitief is afgerond.
Met de aangepaste strafeis wil het Openbaar Ministerie ervoor zorgen dat het eerder ontstane juridische probleem zich niet herhaalt.
Of het gerechtshof meegaat in de eis voor een gevangenisstraf, een vijfjarig beroepsverbod en een direct uitvoerbare bijzondere voorwaarde, moet blijken wanneer het hof uitspraak doet.
Tot die tijd is de veroordeling uit 2023 nog niet onherroepelijk en staat de uiteindelijke uitkomst van de strafzaak niet vast.




