DEN HAAG – De oplopende Franse staatsschuld en de onrust op de Europese obligatiemarkten leiden tot groeiende zorgen in de Tweede Kamer. Kamerleden van D66, VVD en CDA willen van de minister van Financiën weten welke risico's de financiële situatie in Frankrijk oplevert voor Nederland, de Europese banken en de stabiliteit van de euro. Ook vragen zij aandacht voor de positie van Nederlandse pensioenfondsen en de mogelijkheid dat de Europese Centrale Bank moet ingrijpen. De drie partijen hebben hierover op donderdag 22 oktober schriftelijke Kamervragen ingediend.
De vragen zijn afkomstig van de Kamerleden Oosterhuis (D66), Van der Maas (VVD) en Inge van Dijk (CDA). Zij willen onder meer inzicht krijgen in de ontwikkeling van de Franse overheidsschuld, de stijgende rente op staatsobligaties en de gevolgen daarvan voor de financiële markten.
Frankrijk vormt mogelijk risico voor Europese economie
Frankrijk is na Duitsland de grootste economie van de Europese Unie en speelt een belangrijke rol binnen de eurozone. Problemen met de financiering van de Franse staatsschuld kunnen daardoor gevolgen hebben die verder reiken dan de Franse landsgrenzen.
De Kamerleden vragen de minister om in kaart te brengen hoe de Franse staatsschuld, de rente op staatsobligaties en het renteverschil met Duitse staatsleningen zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld.
Dat renteverschil, ook wel de spread genoemd, is een belangrijke graadmeter voor het vertrouwen van beleggers. Wanneer investeerders een hoger risico zien bij Franse staatsobligaties, kunnen zij een hogere rente verlangen dan bij vergelijkbare Duitse staatsleningen.
Een oplopende rente maakt het voor een overheid duurder om geld te lenen en bestaande schulden te herfinancieren. Daardoor kan de druk op de overheidsbegroting toenemen, zeker wanneer een land al een omvangrijke staatsschuld heeft.
De Kamerleden willen weten in hoeverre deze ontwikkelingen inmiddels zichtbaar zijn op de Nederlandse financiële markten en welke gevolgen mogelijk nog kunnen optreden.
Zorgen over Franse banken en Nederlandse pensioenfondsen
Een belangrijk aandachtspunt is de verwevenheid tussen de Franse overheid en het Franse bankwezen. Banken bezitten doorgaans staatsobligaties, waardoor veranderingen in de waarde daarvan invloed kunnen hebben op hun financiële positie.
De Kamerleden vragen of in Frankrijk sprake is van een zogenoemde sovereign-bank nexus. Daarmee wordt een situatie bedoeld waarin financiële problemen bij de overheid en banken elkaar kunnen versterken.
Wanneer de waarde van staatsobligaties daalt, kunnen banken verliezen lijden op hun beleggingen. Omgekeerd kan een verzwakt bankwezen extra druk op de overheid leggen wanneer financiële ondersteuning noodzakelijk wordt.
De minister moet aangeven hoe groot deze risico's zijn en wat de meest recente Europese stresstesten hierover laten zien.
Ook Nederlandse pensioenfondsen komen nadrukkelijk aan bod. Volgens de vragenstellers heeft ABP, het grootste pensioenfonds van Nederland, onlangs aangegeven zijn beleggingen in Franse staatsobligaties af te bouwen.
De drie Kamerleden willen weten of meer Nederlandse beleggers hun blootstelling aan Frankrijk verminderen. Daarmee proberen zij duidelijkheid te krijgen over de mogelijke gevolgen van financiële problemen in Frankrijk voor Nederlandse pensioenvermogens en andere beleggingen.
Ook Italiaanse staatsschuld baart zorgen
De Kamerleden beperken hun zorgen niet tot Frankrijk. Ook de financiële situatie in Italië wordt nadrukkelijk genoemd.
Italië kampt eveneens met een omvangrijke overheidsschuld. Volgens de vragenstellers moet worden onderzocht in hoeverre oplopende schulden en rentes in beide landen elkaar kunnen beïnvloeden.
Wanneer beleggers het vertrouwen verliezen in de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van grote eurolanden, kan dat leiden tot hogere financieringskosten en grotere schommelingen op financiële markten.
De minister wordt gevraagd welke scenario's denkbaar zijn en welke gevolgen die kunnen hebben voor de wisselkoers van de euro, de financiële stabiliteit en de bredere Europese economie.
Ook willen de partijen weten in hoeverre de huidige situatie verschilt van de Europese schuldencrisis tussen 2012 en 2015, toen Griekenland in ernstige financiële problemen verkeerde.
Een belangrijk verschil is de omvang van de betrokken economieën. Frankrijk en Italië zijn aanzienlijk groter dan Griekenland, waardoor financiële problemen in deze landen potentieel bredere gevolgen kunnen hebben voor de eurozone.
Kan de Europese Centrale Bank ingrijpen?
Een ander belangrijk onderdeel van de Kamervragen betreft de mogelijke rol van de Europese Centrale Bank (ECB).
De Kamerleden verwijzen naar speculaties over een eventuele ingreep van de ECB om Frankrijk te ondersteunen. Daarbij noemen zij onder meer het Transmission Protection Instrument (TPI).
Dit instrument is bedoeld om onder bepaalde voorwaarden buitensporige en ongeordende ontwikkelingen op obligatiemarkten tegen te gaan wanneer die de uitvoering van het monetaire beleid bedreigen.
Ook vragen de Kamerleden naar de mogelijkheid dat de centrale bank de verkoop of afbouw van eerder aangekochte staatsobligaties tijdelijk aanpast.
De drie partijen willen weten wat dergelijke maatregelen zouden betekenen voor de geloofwaardigheid van de ECB. Daarbij speelt de vraag of ingrijpen door de centrale bank de druk op nationale overheden om hun begroting op orde te brengen kan verminderen.
De minister moet uitleggen hoe hij aankijkt tegen de verhouding tussen financiële stabiliteit en de noodzaak voor landen om economische hervormingen door te voeren.
Hedgefondsen mogelijk versterkende factor bij onrust
De rol van hedgefondsen op de Europese obligatiemarkten komt eveneens aan bod.
De Kamerleden verwijzen naar berichtgeving in het Financieele Dagblad van 15 oktober over onrust rond Franse staatsobligaties. Zij vragen of handelsstrategieën van hedgefondsen kunnen bijdragen aan grotere koersschommelingen.
Daarbij wordt specifiek gewezen op zogenoemde carry trades. Bij deze beleggingsstrategie proberen marktpartijen te profiteren van verschillen tussen financieringskosten en het rendement op beleggingen, waaronder staatsobligaties.
Volgens de vragenstellers kan speculatief handelsgedrag de onrust op financiële markten mogelijk versterken.
Zij vragen de minister welke maatregelen denkbaar zijn om ongewenste effecten van dergelijke handelsstrategieën te beperken, zonder het functioneren van de financiële markten onnodig te verstoren.
Europese Unie moet financiële risico's beperken
Naast de rol van de ECB willen D66, VVD en CDA weten welke mogelijkheden de Europese Unie en de Eurogroep hebben om Frankrijk tot hervormingen te bewegen.
De vragen richten zich onder meer op Europese begrotingsafspraken, toezicht op nationale overheidsfinanciën en de instrumenten waarmee lidstaten kunnen worden aangespoord hun schulden terug te dringen.
Ook wordt gevraagd welke hervormingen Frankrijk zelf zou kunnen doorvoeren om de staatsschuld te stabiliseren en het vertrouwen van financiële markten te herstellen.
Daarbij willen de Kamerleden weten welke concrete stappen de Nederlandse minister van Financiën de komende periode gaat ondernemen.
Verder vragen zij aandacht voor het feit dat Italië het aangepaste verdrag over het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) nog niet heeft geratificeerd. Het ESM is een Europees noodfonds dat onder voorwaarden financiële steun kan bieden aan eurolanden die in ernstige financieringsproblemen verkeren.
De partijen willen weten welke risico's het uitblijven van ratificatie met zich meebrengt en welke mogelijkheden bestaan om dit proces te versnellen.
Kamer wil regelmatig worden geïnformeerd
Met de schriftelijke vragen willen de drie partijen meer inzicht krijgen in de kwetsbaarheden van de Europese financiële sector en de mogelijke gevolgen voor Nederlandse burgers, bedrijven en pensioenfondsen.
De Kamerleden vragen de minister ook om de Tweede Kamer regelmatig te informeren over de economische en financiële risico's binnen het eurogebied.
De vragen betekenen niet dat er al sprake is van een nieuwe Europese schuldencrisis. Wel laten zij zien dat de ontwikkelingen in Frankrijk door Nederlandse politici nauwlettend worden gevolgd.
De minister van Financiën moet nog op de vragen reageren. Pas daarna wordt duidelijk hoe het kabinet de risico's beoordeelt en of Nederland aanvullende maatregelen binnen de Europese Unie noodzakelijk vindt.




