DEN HAAG – De rechtbank Den Haag heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in het onderzoek Awarra. Een vader, geboren in 1969, en zijn zoon, geboren in 1996, zijn schuldig bevonden aan het medeplegen van de verkoop van ongeveer twintig kilogram cocaïne. Tevens zijn zij veroordeeld voor het voorbereiden en bevorderen van de internationale handel in harddrugs. De rechtbank legde de vader een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van zesenhalf jaar. De zoon kreeg een gevangenisstraf van zes jaar. De straf van de zoon viel iets lager uit omdat de bewezenverklaarde periode van voorbereidingshandelingen voor hem een jaar korter was dan voor zijn vader.
Bewijs via Encrochat en SkyECC
Het bewijs tegen de twee mannen steunt voor een belangrijk deel op onderschepte communicatie. Er is veelvuldig gebruikgemaakt van de cryptocommunicatiediensten Encrochat en SkyECC. De verdediging voerde tevergeefs verweer tegen het gebruik van deze data, onder meer door te stellen dat deze onrechtmatig verkregen zouden zijn. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de berichten bruikbaar zijn voor het bewijs. Uit de ontsleutelde berichten bleek onder andere dat de mannen een Italiaans restaurant runden met meerdere vestigingen en dat zij via de accounts inlichtingen uitwisselden over drugsprijzen en transport. De cocaïne werd uiteindelijk verkocht voor een bedrag van 25.000 euro per blok of kilogram.
Ontnemingsmaatregel van een half miljoen euro
Naast de gevangenisstraffen heeft de rechtbank ook beslist over het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de bewijsmiddelen bleek dat de twintig blokken cocaïne in totaal een bedrag van 500.000 euro hebben opgebracht. De rechter schatte het totale voordeel op dit bedrag en wees de opbrengst pondspondsgewijs toe aan beide daders. Dit betekent dat zowel de vader als de zoon een bedrag van 250.000 euro aan de Staat moet betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Inkoopkosten niet aftrekbaar
De verdediging had in de ontnemingszaak aangevoerd dat er bij de berekening rekening gehouden moest worden met bepaalde kosten, zoals de inkoopprijs van de drugs en de gemaakte kosten voor zogenoemde uithalers. De rechtbank ging hier echter niet in mee. Het oordeel luidde dat de eventuele inkoopkosten van de cocaïne kwalificeren als kosten voor handelen dat op zichzelf al een strafbaar feit inhoudt. Dergelijke kosten komen niet voor aftrek in aanmerking en blijven volledig voor rekening van de veroordeelden. Indien het te betalen bedrag niet volledig kan worden verhaald, kan voor beiden een maximale gijzeling van 1080 dagen worden toegepast.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


