DEN HAAG, 25 augustus 2026 – De procureur-generaal bij de Hoge Raad adviseert om een verzoek tot herziening van de veroordeling van een man wegens drie moorden af te wijzen. Volgens de conclusie voldoen de aangevoerde argumenten niet aan de wettelijke eisen voor een herziening van een onherroepelijke strafzaak
Drie moorden in 2019
De veroordeelde kreeg in 2022 van het gerechtshof een gevangenisstraf van 22 jaar en tbs met dwangverpleging opgelegd voor drie moorden die in mei 2019 werden gepleegd in de Scheveningse Bosjes en op de Brunssummerheide. De Hoge Raad liet die veroordeling in 2023 in stand, al werd de straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden verminderd.
Verdediging voerde drie nieuwe argumenten aan
De verdediging baseerde het herzieningsverzoek op drie punten. Allereerst werd gewezen op een tuchtrechtelijke berisping van twee deskundigen die een belangrijk psychiatrisch rapport opstelden. Daarnaast werd een nieuw psychiatrisch deskundigenrapport ingebracht. Ook werd verwezen naar een ongecensureerde brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd over de behandeling van de veroordeelde voorafgaand aan de feiten.
Oordeel tuchtcollege niet doorslaggevend
Volgens de procureur-generaal is de tuchtrechtelijke uitspraak weliswaar een nieuw gegeven, maar leidt die niet tot het ernstige vermoeden dat de strafzaak anders zou zijn afgelopen. Het tuchtcollege oordeelde dat de onderbouwing van het rapport onvoldoende inzichtelijk was, maar sprak zich niet uit over de vraag of de inhoudelijke conclusies van de deskundigen onjuist waren.
Nieuw rapport biedt geen wezenlijk nieuwe inzichten
Ook het aanvullende deskundigenrapport levert volgens de conclusie geen zogenoemd novum op. De daarin beschreven bevindingen sluiten grotendeels aan bij eerdere rapportages die al tijdens het strafproces bekend waren bij het hof. Daardoor ontstaat volgens de procureur-generaal geen nieuw licht op de zaak
Brief inspectie verandert oordeel niet
De ongecensureerde brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevat volgens de conclusie eveneens onvoldoende nieuwe informatie om het oordeel van het hof te ondergraven. Daarbij wordt erop gewezen dat het hof destijds niet afhankelijk was van een exacte psychiatrische diagnose voor de beoordeling van de strafbaarheid.
De procureur-generaal concludeert dat geen van de drie aangevoerde gronden kan worden aangemerkt als een novum in de zin van de wet. Daarom wordt de Hoge Raad geadviseerd het herzieningsverzoek af te wijzen. De uiteindelijke beslissing ligt bij de Hoge Raad
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


