DEN HAAG – De Hoge Raad heeft op 11 september 2026 een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot de Wet zorg en dwang (Wzd). De zaak draaide om de vraag of een rechter een verzoek voor een opvolgende machtiging tot voortgezet verblijf in een accommodatie moet afwijzen of aanhouden wanneer het overgelegde zorgplan niet alle vormen van onvrijwillige zorg volledig vermeldt. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) had eerder om een dergelijke machtiging voor de duur van een jaar verzocht.
Behandeling in de feitelijke instantie
Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank Den Haag voerde de advocaat van betrokkene aan dat het verzoek moest worden aangehouden of afgewezen. De grondslag hiervoor was dat het bijgevoegde zorgplan incompleet zou zijn omdat daarin niet alle Wzd-maatregelen expliciet waren opgenomen.
De rechtbank ging hier destijds niet in mee. Er werd overwogen dat in de Wzd โ in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) โ de besluitvorming over de specifieke vormen van onvrijwillige zorg primair bij de zorgprofessionals ligt. Aangezien de rechtbank over voldoende informatie beschikte om een weloverwogen beslissing te nemen, vormde een eventueel gebrek in het zorgplan geen reden tot aanhouding of afwijzing. Vervolgens werd een machtiging verleend voor de duur van รฉรฉn jaar.
Cassatieberoep bij de Hoge Raad
Betrokkene stelde hierop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Het middel klaagde dat het oordeel van de rechtbank in strijd zou zijn met artikel 26 lid 7 van de Wzd, in samenhang met diverse andere artikelen en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De kern van de klacht was dat de rechter de behandeling had moeten aanhouden of het verzoek had moeten afwijzen omdat het zorgplan niet volledig was ten aanzien van de onvrijwillige zorg.
De Advocaat-Generaal adviseerde eerder al tot verwerping van het cassatieberoep.
Oordeel en beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad fluit de klager terug en oordeelt dat het middel faalt. De wet brengt volgens de Hoge Raad namelijk niet met zich mee dat de rechter een verzoek voor een machtiging op grond van artikel 24 lid 1 Wzd direct moet afwijzen of aanhouden enkel omdat het op grond van artikel 26 lid 7 Wzd overgelegde zorgplan de vormen van onvrijwillige zorg niet volledig vermeldt.
Met deze beschikking wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd en is het cassatieberoep definitief verworpen.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



