MAARHEZE – De rechtbank Oost-Brabant heeft een verdachte rechtspersoon gevestigd in Maarheeze, gelegen in de gemeente Cranendonck, veroordeeld tot een geldboete van 80.000 euro. De zaak diende voor de meervoudige economische kamer en draait om de opzettelijke overtreding van wettelijke voorschriften die vallen onder de Wet milieubeheer en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het bedrijf, dat een IPPC-installatie exploiteert voor het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor levensmiddelen, kwam herhaaldelijk haar verplichtingen niet na.
Lekkage en te late meldingen in Maarheeze
Uit het vonnis blijkt dat er sprake was van meerdere ernstige incidenten in 2024. Zo vond er op 9 juni 2024 een aanzienlijke lekkage plaats waarbij ongeveer 25.000 liter suikerwater wegliep door een openstaande klep van een suikertank. Een groot deel hiervan stroomde direct het vuilwaterriool in. Hoewel het bedrijf op de hoogte raakte van het lek, werd het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck, pas na ruim een uur en twintig minuten geรฏnformeerd. Volgens de rechtbank is er daarmee geen sprake geweest van het ‘onverwijld’ melden van een ongewoon voorval. Ook op 28 december 2024 deed zich een vergelijkbaar incident voor dat niet tijdig werd gemeld.
Overtreding van lozingsvoorschriften
Naast het te laat melden van ongewone voorvallen, ging het bedrijf op meerdere momenten ook de fout in met betrekking tot de lozingsnormen van bedrijfsafvalwater. Op 14 november 2024 en op 28 december 2024 werd aanzienlijk meer chemisch zuurstofverbruik (CZV) geloosd dan in de omgevingsvergunning was toegestaan. Waar de grens op 2.700 kilogram per etmaal ligt, werd er op 14 november circa 5.493,5 kilogram en op 28 december zelfs ongeveer 9.362,9 kilogram CZV-vracht het vuilwaterriool ingestuurd. Een hoog CZV-gehalte duidt op een grote hoeveelheid organische vervuiling, wat kan leiden tot ernstig zuurstoftekort en schadelijke effecten op het aquatisch ecosysteem.
Standpunten van verdediging en officier van justitie
De officier van justitie eiste tijdens de zitting een aanzienlijk hogere geldboete van 130.000 euro. De verdediging pleitte ten aanzien van het eerste feit primair voor vrijspraak voor het incident op 9 juni 2024, omdat er volgens hen onvoldoende bewijs zou zijn voor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Subsidiair werd aangevoerd dat de melding wel snel na het ontdekken van de exacte oorzaak was gedaan. De rechtbank ging hier echter niet in mee, nu de dreiging van milieugevolgen voldoende was om de meldplicht direct in werking te stellen.
Recidive en opgelegde strafmaat
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank zwaar meegewogen dat de rechtspersoon in het verleden, in het jaar 2020, al eens eerder is veroordeeld voor soortgelijke overtredingen van de Wet milieubeheer. Volgens de rechter slaagt het bedrijf er blijkbaar onvoldoende in om een interne cultuur te creรซren waarin adequaat en direct wordt gehandeld en gemeld bij incidenten. Hierdoor worden overheidsdiensten belemmerd om tijdig in te grijpen. Wel heeft de rechtbank gekeken naar de inmiddels door het bedrijf getroffen maatregelen om herhaling te voorkomen. Dit alles afwegende komt de rechtbank uit op een onvoorwaardelijke geldboete van 80.000 euro.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


