GRONINGEN – Een Libische asielzoeker die in september vanuit Nederland gedwongen naar Duitsland werd overgebracht, heeft zijn rechtszaak tegen de Nederlandse overheid verloren. De rechtbank in Groningen oordeelt dat de minister van Asiel en Migratie zijn asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Volgens de Europese Dublinverordening is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van zijn verzoek om bescherming.

De minister besloot op 18 mei 2026 dat Nederland de asielaanvraag niet zou behandelen. De man verzette zich tegen dit besluit en stelde dat de procedure onvoldoende zorgvuldig was verlopen. Op 18 september werd hij echter vanuit vreemdelingenbewaring al overgedragen aan de Duitse autoriteiten.

Asielzoeker mocht blijven procederen

Hoewel de man inmiddels in Duitsland verbleef, mocht hij zijn juridische procedure in Nederland voortzetten. Volgens de rechtbank blijft bij een gedwongen overdracht het recht bestaan om een besluit achteraf door de rechter te laten beoordelen.

Wanneer een overdracht onrechtmatig blijkt, kan dat namelijk betekenen dat de betrokken asielzoeker naar Nederland moet worden teruggehaald om hier alsnog zijn asielprocedure te doorlopen.

In deze zaak zag de rechtbank echter geen aanleiding om het overdrachtsbesluit te vernietigen.

Bezwaar tegen ontbrekende documenten

De advocaat van de Libische man voerde aan dat belangrijke documenten over de overdracht aanvankelijk niet beschikbaar waren in het digitale portaal voor advocaten. Daardoor kon volgens hem niet worden gecontroleerd of Duitsland het verzoek om de asielzoeker over te nemen daadwerkelijk had geaccepteerd.

De verdediging stelde dat de minister hierdoor te vroeg een voornemen had uitgebracht en de man onvoldoende gelegenheid had gegeven daarop te reageren.

De rechtbank verwierp dit argument. Volgens de rechter mag de minister een voornemen uitbrengen wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat een andere Europese lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Het is niet noodzakelijk dat op dat moment alle documenten over het overdrachtsverzoek beschikbaar zijn.

Duitsland verantwoordelijk voor asielprocedure

Tijdens de procedure stond uiteindelijk niet meer ter discussie dat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de asielaanvraag.

Ook bestond geen verschil van mening meer over de vraag of Duitsland als veilige en betrouwbare partner voor de behandeling van het verzoek kon worden beschouwd.

De man had daarnaast geen bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden geven om zijn asielaanvraag toch in Nederland te behandelen.

Overdracht blijft in stand

De rechtbank verklaarde het beroep op 28 oktober 2026 kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de rechter de zaak zonder zitting heeft afgedaan, omdat het beroep volgens de rechtbank geen kans van slagen had.

De eerdere beslissing van de minister blijft daarmee in stand. Nederland hoeft de asielaanvraag niet te behandelen en de man krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Tegen de uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld. Een afzonderlijk verzoek om een voorlopige voorziening wordt apart beoordeeld.