DEN HAAG – Een veehouder die juridische stappen ondernam tegen maatregelen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), heeft zijn rechtszaak verloren. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dinsdag 27 oktober dat de ondernemer geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de eerder opgelegde bestuursdwang. De maatregelen waren namelijk al vervallen zonder dat de overheid daadwerkelijk had ingegrepen.

De zaak begon na een inspectie op 16 juli 2024, waarbij toezichthouders van de NVWA volgens de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verschillende overtredingen van het Besluit houders van dieren constateerden. De veehouder kreeg op 18 september 2024 een last onder bestuursdwang opgelegd en moest de geconstateerde tekortkomingen binnen één dag tot maximaal één week beëindigen.

Overtredingen niet opnieuw vastgesteld

Bij een herinspectie op 26 september 2024 werden de eerder vastgestelde overtredingen niet opnieuw geconstateerd. De bestuursdwang hoefde daarom niet te worden uitgevoerd. Bovendien gold de maatregel maximaal drie maanden, waardoor deze al was vervallen toen de staatssecretaris in april 2025 op het bezwaar van de veehouder besliste.

Volgens het College had de ondernemer daardoor geen concreet belang meer bij een uitspraak over de rechtmatigheid van de oorspronkelijke maatregel.

Veehouder staat onder verscherpt toezicht

De veehouder voerde aan dat de eerdere beschuldigingen nog altijd gevolgen konden hebben. Zijn bedrijf staat onder verscherpt toezicht en in april 2025 werd opnieuw een last onder bestuursdwang opgelegd, ditmaal om herhaling van overtredingen te voorkomen.

Volgens de ondernemer was het daarom noodzakelijk dat de rechter vaststelde of de oorspronkelijke overtredingen daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. Ook wees hij op investeringen in zijn stal die volgens hem verband hielden met de opgelegde maatregelen.

Het College ging daar niet in mee. Tegen nieuwe maatregelen kan afzonderlijk bezwaar en beroep worden ingesteld. Bovendien waren de eerdere maatregelen vervallen en verplichtten deze de veehouder niet meer tot investeringen.

Ook strafzaak speelt een rol

Naast de bestuursrechtelijke procedure loopt een strafzaak tegen de veehouder. De rechtbank in Oost-Brabant legde hem op 7 april 2026 een beperkt houdverbod op. De ondernemer ging daartegen in hoger beroep bij het gerechtshof in 's-Hertogenbosch.

Volgens de veehouder zou een oordeel over de eerdere NVWA-controles ook van belang zijn voor die strafzaak, omdat daarin deels dezelfde feiten aan de orde komen.

Het College oordeelde echter dat de mogelijke betekenis voor de strafzaak geen reden is om het vervallen bestuursdwangbesluit alsnog inhoudelijk te beoordelen.

Geen schadevergoeding of proceskosten

De veehouder stelde daarnaast kosten te hebben gemaakt om aan de kritiek van de NVWA tegemoet te komen. Tijdens de zitting verklaarde hij echter dat het oorspronkelijke bestuursdwangbesluit zelf geen schade had veroorzaakt.

Daarmee verviel ook dit argument voor een inhoudelijke behandeling. Het College verklaarde het beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

De uitspraak betekent niet dat de rechter heeft vastgesteld dat alle oorspronkelijke overtredingen terecht waren geconstateerd. Het College heeft uitsluitend beoordeeld of het bezwaar wegens het ontbreken van procesbelang mocht worden afgewezen.