ROTTERDAM, 24 juli 2026 De zaak draait om een verdachte met de Turkse nationaliteit, geboren in 1980. De Turkse autoriteiten hadden op 29 april 2025 via de ambassade een officieel verzoek ingediend bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het doel van dit verzoek was de uitlevering van de man ter zake van strafvervolging in Turkije. De rechtbank heeft echter besloten dat de uitlevering ontoelaatbaar is. De reden hiervoor is dat de opgeรซiste persoon onomstotelijk zijn kennelijke onschuld heeft aangetoond ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht. De uitleveringsdetentie, die al eerder was geschorst, is door de rechtbank direct definitief opgeheven.
Achtergrond van het Uitleveringsverzoek
De strafzaak in Turkije richtte zich op twee zware verdenkingen. Ten eerste werd de man verdacht van de handel in en levering van verdovende of stimulerende middelen, wat strafbaar is gesteld in artikel 188 van het Turkse Wetboek van Strafrecht. Ten tweede betrof het de verdenking van lidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen, strafbaar gesteld in artikel 220 van hetzelfde wetboek. Aanleiding voor deze verdenkingen waren onderschepte berichten uit het versleutelde communicatieprogramma SkyECC. Deze gegevens, ontcijferd door een Joint Investigation Team van Frankrijk, Belgiรซ en Nederland, werden met Turkije gedeeld. Uit deze data zou blijken dat de verdachte betrokken was bij een drugstransport van 220 kilogram cocaรฏne. Dit transport vond plaats op 20 oktober 2020 in de haven van Mersin. De autoriteiten stelden dat de man handelde op instructie van de leiders van de criminele organisatie om de drugs veilig uit de haven te vervoeren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Tijdens de zittingen op 14 oktober 2025 en 10 juni 2026 vorderde de officier van justitie primair dat de uitlevering voor beide feiten toelaatbaar zou worden verklaard. Subsidiair werd verzocht om de uitlevering in ieder geval gedeeltelijk toe te staan, specifiek voor het lidmaatschap van de criminele organisatie. De officier van justitie beargumenteerde dat deze verdenking niet uitsluitend betrekking had op het specifieke drugstransport van 20 oktober 2020, maar zag op een langere pleegperiode. Ter onderbouwing werd gewezen op de arrestatiedatum in april 2025, die in het uitleveringsverzoek was opgenomen, en op de nieuw verkregen SkyECC-data die op dat moment pas beschikbaar kwamen.
Verweer en Vrijspraak in Turkije
De raadsvrouw van de verdachte stelde daar tegenover dat haar cliรซnt onschuldig is aan de tenlastegelegde feiten. De verdediging overlegde documentatie waaruit bleek dat de man in Turkije reeds was vrijgesproken. Bij vonnis van 28 december 2021 heeft de rechtbank te Mersin de man vrijgesproken van de invoer van en handel in de partij van 220 kilogram cocaรฏne. Vervolgens is deze vrijspraak in hoger beroep bekrachtigd door het gerechtshof in Adana, via een arrest dat is gewezen op 6 juni 2024. Hoewel de zaak momenteel nog in cassatie ligt bij het Hof van Cassatie en daardoor formeel nog niet onherroepelijk is, bepleitte de verdediging dat de kennelijke onschuld hiermee onverwijld is aangetoond. Ook voerde de verdediging subsidiaire verweren inzake de ongenoegzaamheid van de stukken en dreigende schendingen van artikel 6 en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).
Beoordeling door de Rechtbank
De rechtbank stelde tijdens de beoordeling vast dat de verdenkingen in het uitleveringsverzoek exact hetzelfde feitencomplex bestrijken als de zaak in Mersin waarvoor de vrijspraak is uitgesproken. Uit de stukken volgt duidelijk dat de beschuldiging van deelname aan een criminele organisatie volledig is gestoeld op de handelingen rondom het drugstransport van 20 oktober 2020. Het argument van de officier van justitie dat de criminele organisatie betrekking heeft op een langere pleegperiode, kon niet worden onderbouwd met de stukken uit het uitleveringsverzoek en de daaraan ten grondslag liggende arrestatiebevelen. Daarin werd uitsluitend het jaar 2020 als pleegdatum genoemd. Bovendien bleek nergens uit het dossier dat de SkyECC-data daadwerkelijk nieuw bewijs bevatten dat nog niet bekend was tijdens de vrijspraak in 2021 of de bekrachtiging daarvan in 2024.
Conclusie en Afwijzing Uitleveringsverzoek
Een nadere reactie van de Turkse autoriteiten, gedateerd op 23 januari 2026, bevestigde de bevindingen van de rechtbank. In dit bericht gaven de autoriteiten aan dat de vrijspraak en het lopende cassatieberoep betrekking hebben op beide strafbare feiten uit het uitleveringsverzoek. Op basis van deze feiten en omstandigheden oordeelde de meervoudige kamer voor strafzaken in Rotterdam dat er bij de huidige stand van zaken geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. De verdachte is in eerste en tweede aanleg vrijgesproken, waarmee de kennelijke onschuld voldoende is aangetoond. Het verzoek tot uitlevering op basis van het Europees Verdrag betreffende uitlevering is derhalve afgewezen en als ontoelaatbaar verklaard.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



