Uitspraak over AZC’s laat weinig ruimte voor illusies

Voor veel tegenstanders is dat kort geding dan het laatste redmiddel. De hoop leeft dat een rechter alsnog de rem erop zet en zegt: tot hier en niet verder.

Bookmark

Lees dit ook...

HBP Media
HBP Mediahttps://hbpmedia.nl
24 uur per dag het wereldwijde nieuws op uw scherm.. Iets te melden/klagen: info@hbpmedia.nl . Columns zijn op persoonlijke titel

Ik zie het de laatste jaren steeds vaker gebeuren: zodra ergens plannen opduiken voor een asielzoekerscentrum, ontstaat er onmiddellijk verzet. Soms begint dat met buurtbijeenkomsten, boze inspraakavonden en petities. Soms groeit het uit tot felle demonstraties, politieke campagnes en uiteindelijk een gang naar de rechter. Voor veel tegenstanders is dat kort geding dan het laatste redmiddel. De hoop leeft dat een rechter alsnog de rem erop zet en zegt: tot hier en niet verder.

Maar die hoop is, als ik eerlijk ben, steeds minder realistisch.

De uitspraak over de opvanglocatie in Loosdrecht maakt dat opnieuw pijnlijk duidelijk. Omwonenden wilden via een kort geding voorkomen dat 110 asielzoekers tijdelijk in het oude gemeentehuis zouden worden opgevangen. De rechter ging daar niet in mee. De gemeente mocht doorgaan. Juridisch is dat geen detail, maar een helder signaal. Wie denkt dat de rechter tegenwoordig eenvoudig een streep zet door een AZC, begrijpt niet goed hoe het speelveld inmiddels is veranderd.

Ik merk dat veel mensen nog redeneren vanuit een oude werkelijkheid. Ze gaan ervan uit dat een gemeente zelf maar moet beslissen of zij wel of geen opvang wil regelen, en dat inwoners vervolgens met genoeg druk dat besluit nog kunnen tegenhouden. Maar sinds de invoering van de Spreidingswet ligt dat anders. Gemeenten hebben niet meer alleen een bestuurlijke afweging te maken; zij hebben in toenemende mate ook een wettelijke taak. En precies daar wringt het voor tegenstanders.

Ik vind dat een belangrijk punt, omdat in het publieke debat vaak wordt gedaan alsof het hier alleen gaat om politieke wil. Alsof een college van burgemeester en wethouders simpelweg wat ruggengraat moet tonen en “nee” kan zeggen. Alsof een gemeenteraad met een ferme motie de komst van een opvanglocatie definitief kan blokkeren. Maar zo werkt het recht niet. Zodra de wet gemeenten verplicht om opvang mogelijk te maken, verschuift de discussie. Dan gaat het niet langer vooral over de vraag of een gemeente opvang wil, maar over de vraag hoe die opvang juridisch en praktisch wordt ingericht.

Dat maakt een kort geding ook zo’n beperkt middel. Veel mensen horen dat woord en denken: nu komt er snel duidelijkheid, nu zal de rechter eindelijk zeggen wie gelijk heeft. Maar een kort geding is geen bodemprocedure. Het is geen volledig juridisch eindgevecht. Het is een spoedprocedure, bedoeld voor situaties waarin onmiddellijk ingrijpen nodig is. De voorzieningenrechter geeft dan een voorlopig oordeel. Dat is wezenlijk iets anders dan een definitieve uitspraak over alle juridische aspecten van een zaak.

Ik denk dat daar vaak een misverstand zit. Tegenstanders stappen soms naar de rechter met een mengeling van boosheid, angst, frustratie en het gevoel dat hun leefomgeving wordt overvallen. Als mens kan ik dat begrijpen. Een opvanglocatie in je buurt roept vragen op over veiligheid, leefbaarheid, verkeersdruk, voorzieningen en bestuurlijke betrouwbaarheid. Maar een rechter toetst niet of emoties begrijpelijk zijn. Een rechter kijkt of de overheid binnen haar bevoegdheden blijft, of een besluit zorgvuldig is voorbereid, of de belangen behoorlijk zijn afgewogen en of de wet correct is toegepast.

En juist op dat punt staan tegenstanders tegenwoordig zwakker dan zij misschien denken.

Als een gemeente zich kan beroepen op de Spreidingswet, op een verdeelbesluit of op andere formele verplichtingen binnen het landelijke opvangbeleid, dan staat er ineens een stevig juridisch fundament onder zo’n opvanglocatie. Dan kun je als eiser niet meer volstaan met de stelling dat je het er niet mee eens bent, dat de buurt het niet wil of dat de komst van asielzoekers maatschappelijk gevoelig ligt. Dat zijn politiek relevante argumenten, maar juridisch vaak niet genoeg.

Ik zie daarom weinig toekomst in procedures die vooral draaien op onderbuik, verontwaardiging of verkiezingsretoriek. Wie werkelijk kans wil maken in de rechtszaal, zal met iets anders moeten komen: concrete juridische bezwaren. Is de locatie brandveilig? Zijn de vergunningen op orde? Is de motivering van het besluit deugdelijk? Is de belangenafweging zorgvuldig gemaakt? Wordt voldaan aan de eisen die aan een gebouw met woonfunctie worden gesteld? Is de uitvoering realistisch en juridisch houdbaar?

Dat zijn vragen waar een rechter iets mee kan.

De wrange waarheid is dus dat veel tegenstanders hun energie op het verkeerde front inzetten. Zij voeren vaak een politiek gevecht en verwachten daar een juridische overwinning uit te halen. Maar politiek en recht zijn niet hetzelfde. In de gemeenteraad kun je stemmen winnen met harde taal over een AZC. Op sociale media kun je applaus krijgen met ferme slogans. Op straat kun je met spandoeken en megafoons aandacht trekken. Maar in de rechtszaal telt uiteindelijk iets anders: onderbouwing, wetstoepassing, bevoegdheid, procedure en proportionaliteit.

Dat klinkt kil, maar het is wel de realiteit.

Ik denk zelfs dat veel actiegroepen zichzelf tekortdoen door daar niet eerlijker over te zijn. Mensen krijgen soms de indruk dat “naar de rechter stappen” een soort wondermiddel is. Alsof er nog één knop bestaat waaraan gedraaid kan worden om het hele plan te laten verdwijnen. Dat is zelden zo. Zeker nu niet. De wettelijke positie van gemeenten is steviger geworden en daarmee is de speelruimte voor tegenstanders kleiner.

Dat betekent overigens niet dat burgers geen rol meer hebben. Integendeel. Maar die rol ligt eerder in het bestuurlijke voortraject dan in de laatste minuut voor de voorzieningenrechter. Wie invloed wil uitoefenen, moet vroeg in het proces scherp zijn. Bij locatiekeuze. Bij inspraak. Bij veiligheidsvoorwaarden. Bij toezicht, communicatie en randvoorwaarden. Daar valt vaak meer te bereiken dan in een haastige spoedprocedure waarin de wet al grotendeels tegen je spreekt.

Wat mij vooral stoort, is dat sommige politici burgers nog altijd voorspiegelen dat een rechtszaak dé uitweg is. Dat vind ik goedkoop. Want wie mensen die hoop geeft, moet er ook bij vertellen dat de juridische lat hoog ligt en dat de kans op succes beperkt is zodra een gemeente zich op een wettelijke opvangtaak kan beroepen. Eerlijke politiek zou betekenen dat je mensen niet alleen mobiliseert, maar ook uitlegt waar de grenzen van het recht liggen.

De uitspraak in Loosdrecht is daarom meer dan een lokaal incident. Voor mij is het een wake-upcall voor iedereen die denkt dat de rechter de laatste dam tegen asielopvang zal vormen. Die dam is een stuk lager dan veel tegenstanders hopen. Niet omdat rechters per definitie vóór opvang zijn, maar omdat zij kijken naar de wet. En die wet geeft gemeenten nu eenmaal meer grond onder de voeten dan vroeger.

Ik begrijp best dat dat voor veel mensen een ongemakkelijke conclusie is. Maar ik zie weinig nut in juridische schijnzekerheid. Wie eerlijk naar de situatie kijkt, moet erkennen dat de strijd over AZC’s allang niet meer alleen op straat of in de raadzaal wordt uitgevochten. De wet zelf heeft het speelveld veranderd. En wie dat niet onder ogen wil zien, procedeert uiteindelijk vooral tegen een werkelijkheid die juridisch al is ingehaald


Ontdek meer van HBP Media

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Meer van dit..

Geef een reactie

- Advertisement -

Reacties

Nieuw binnen