AMSTERDAM, 28 juli 2026 – Een vader is door de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam veroordeeld tot het betalen van een bedrag van 10.842,55 euro aan de moeder van hun kind. De rechter heeft bepaald dat de vader deze financiële bedragen ten onrechte heeft ontvangen en daarmee ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de moeder.
Achtergrond van de gezinssituatie en uithuisplaatsing
De rechtszaak kent een complexe voorgeschiedenis rondom de zorg van een minderjarige dochter, die is geboren in het jaar 2009. Bij een eerdere beschikking van 17 augustus 2018 werd het kind officieel onder toezicht gesteld. Enkele maanden later, op 24 december 2018, werd er een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van het kind bij de vader. Deze uithuisplaatsing en de bijbehorende ondertoezichtstelling zijn nadien meermaals door de instanties verlengd, waarbij de uithuisplaatsing laatstelijk liep tot 17 augustus 2020 en de ondertoezichtstelling uiterlijk tot 17 februari 2021.
Tot aan de initiële uithuisplaatsing ontving de moeder de reguliere kinderbijslag en het daaraan gekoppelde kindgebonden budget ten behoeve van de dochter. Vanaf het jaar 2019 nam de vader de ontvangst van deze financiële overheidsbijdragen over. Echter, in een latere beschikking van 18 september 2025 bepaalde de kinderrechter dat de dochter sinds 1 januari 2022 feitelijk weer bij de moeder woont. Vanaf juni 2025 ontvangt de moeder ook weer daadwerkelijk de kinderbijslag en het kindgebonden budget op haar eigen rekening.
Juridische grondslag van de vordering
De moeder eiste in deze civiele procedure het totale bedrag van 10.842,55 euro terug van de vader, te vermeerderen met de wettelijke rente. Haar juridische betoog steunde primair op de Algemene Kinderbijslagwet. Zij stelde dat zij vanaf 1 januari 2022 wettelijk recht had op de toeslagen, omdat het kind vanaf dat specifieke moment weer bij haar woonde. Doordat de vader de bedragen in de tussenliggende periode bleef incasseren, zou hij ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van haar financiële positie. Subsidiair betoogde de moeder dat de man onrechtmatig had gehandeld door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bewust een onjuiste voorstelling van zaken te geven over de feitelijke woonsituatie van hun dochter.
De vader voerde verweer tegen deze aantijgingen en stelde dat er geen wettelijke grondslag was voor de vordering van de moeder. Volgens hem had het kind tot 18 september 2025 formeel haar hoofdverblijfplaats bij hem en zouden partijen destijds andere afspraken hebben gemaakt over de uitbetaling van de toeslagen. Bovendien stelde hij nadrukkelijk niet verrijkt te zijn, aangezien hij het ontvangen geld naar eigen zeggen volledig had aangewend voor de verzorging en het welzijn van het kind.
Het oordeel over het feitelijke huishouden
De kantonrechter verwierp de verweren van de vader gedurende de zitting. In de inhoudelijke beoordeling werd expliciet verwezen naar artikel 7, lid 1, van de Kinderbijslagwet. Dit artikel bepaalt dat een verzekerde recht heeft op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en tot het huishouden van de verzekerde behoort, of door de verzekerde wordt onderhouden. Daaraan gekoppeld stelt artikel 2, lid 1, van de Wet op het kindgebonden budget dat de ouder aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald, tevens aanspraak maakt op het kindgebonden budget.
De rechter benadrukte in het vonnis dat de juridische hoofdverblijfplaats niet bepalend is voor de SVB, maar de feitelijke verblijfplaats van het kind. Uit de toelichting op de wet blijkt duidelijk dat de SVB als strikt criterium hanteert dat een kind behoort tot het huishouden waar het de meeste tijd bestemd voor nachtrust, met een minimum van vier nachten per week, doorbrengt. Omdat in eerdere procedures reeds gerechtelijk was vastgesteld dat het kind sinds 1 januari 2022 bij de moeder woonde, behoorde zij vanaf dat moment tot het feitelijke huishouden van de moeder. De vader stelde ter zitting nog dat de dochter ook na die datum vaak bij hem heeft geslapen, maar de rechter oordeelde dat hij deze stelling onvoldoende had onderbouwd in het licht van de stevige betwisting door de moeder.
Wettelijke onderhoudsplicht en ongerechtvaardigde verrijking
Een zeer cruciaal onderdeel van het vonnis richt zich op het verweer van de vader dat hij het geld louter aan het kind heeft besteed en zodoende niet is verrijkt. De kantonrechter verwees in deze context naar artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek. Dit specifieke wetsartikel stelt eenduidig dat beide ouders te allen tijde verplicht zijn te voorzien in het levensonderhoud van hun kind.
Wettelijke onderhoudsplicht en ongerechtvaardigde verrijking
Een zeer cruciaal onderdeel van het vonnis, richt zich op het verweer van de vader dat hij het geld louter aan het kind heeft besteed en zodoende niet is verrijkt. De kantonrechter verwees in deze context naar artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek. Dit specifieke wetsartikel stelt eenduidig dat beide ouders te allen tijde verplicht zijn te voorzien in het levensonderhoud van hun kind.
De kosten die de vader voor de dochter met de kinderbijslag en het kindgebonden budget heeft betaald, vallen volledig onder deze wettelijke kosten van levensonderhoud. Omdat hij krachtens het Burgerlijk Wetboek hoe dan ook verplicht was deze kosten te dragen, zelfs als hij de toeslagen niet zou hebben ontvangen, is hij volgens de oordelende rechter wel degelijk financieel verrijkt. Hij heeft immers onterecht ontvangen overheidsgelden aangewend voor zijn eigen wettelijke onderhoudsplicht. De moeder is daarentegen aantoonbaar verarmd, omdat zij de kinderbijslag en het budget niet kon aanwenden voor de reguliere kosten waarvoor deze vergoedingen door de overheid zijn bedoeld.
Daarnaast ging de kantonrechter volledig voorbij aan de onbewezen bewering van de vader dat partijen onderling andersluidende afspraken zouden hebben gemaakt over de uitbetaling van de gelden. De vader had dit onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd nadat de moeder het bestaan van zulke afspraken pertinent ontkende.
Uitspraak en financiële afwikkeling
Concluderend heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vader in de afgebakende periode van 1 januari 2022 tot en met juni 2025 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de moeder. De vader is officieel veroordeeld tot het betalen van de door de moeder gestelde schade, ter hoogte van exact 10.842,55 euro. Dit schadebedrag zal moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 8 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling. Gelet op de voormalige relatie tussen beide partijen heeft de rechter de proceskosten gecompenseerd, wat in de praktijk inhoudt dat iedere partij de eigen gemaakte juridische kosten moet dragen. Het vonnis is tot slot uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor eventueel hoger beroep de betalingsplicht niet opschort.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



