Armoede is in Nederland al decennialang een terugkerend thema, met periodes van scherpe stijging en langdurige daling. Actuele cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten zien dat in 2024 ongeveer 551.000 mensen, oftewel 3,1 procent van de bevolking, in armoede leefden. Daarnaast bevonden 1,1 miljoen mensen zich net boven de armoedegrens, een groep die kwetsbaar blijft voor financiรซle tegenslagen. Om deze cijfers goed te kunnen duiden, is het nodig om verder terug te kijken dan alleen de afgelopen jaren.
Historische ontwikkeling sinds de jaren zeventig
Consistente, onderling vergelijkbare inkomenscijfers zijn beschikbaar vanaf 1977, toen het CBS samen met de Universiteit Leiden een geharmoniseerde reeks van het armoederisico opstelde op basis van de zogenoemde lage-inkomensgrens. Deze grens is afgeleid van het bijstandsniveau voor een alleenstaande in 1979, het jaar waarin dit qua koopkracht het hoogst lag, en wordt sindsdien alleen voor prijsontwikkeling geรฏndexeerd.
De ontwikkeling van armoede volgt sindsdien in grote lijnen de economische conjunctuur. Na de diepe recessie van begin jaren tachtig piekte het armoederisico in 1985 op een historisch hoog niveau van 22,5 procent van de huishoudens. In de jaren negentig daalde dit naar gemiddeld bijna 15 procent, mede dankzij economisch herstel en de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen. Tussen 2000 en het begin van de financiรซle crisis in 2009 nam het armoederisico verder sterk af, met een kleine onderbreking tussen 2002 en 2005 door tegenvallende economische groei.
De kredietcrisis zette deze positieve trend abrupt stil. Tussen 2012 en 2013 steeg het armoederisico onder minderjarige kinderen naar bijna 10 procent, de hoogste piek van deze eeuw, en bij eenoudergezinnen liep het percentage met een laag inkomen op tot bijna 30 procent. Vanaf 2014 trad geleidelijk herstel op. In 2019 was het aandeel huishoudens met een laag inkomen vrijwel gehalveerd ten opzichte van het niveau van de jaren negentig, tot 7,7 procent. Dankzij tijdelijke coronasteun en de energietoeslag in 2022 daalde dit verder tot 4,4 procent. Sinds het wegvallen van die energietoeslag en de aanpassing van de meetmethode is de armoede in 2024 weer licht gestegen, na vijf jaar van daling.
Belangrijkste oorzaken van armoede
Armoede in Nederland kent zowel structurele als conjuncturele oorzaken. Economische neergang, zoals de recessies van begin jaren tachtig en de kredietcrisis na 2008, drijft het armoederisico telkens sterk omhoog doordat werkloosheid toeneemt en uitkeringen relatief minder koopkracht bieden. Daarnaast spelen de stijgende kosten van wonen en energie een grote rol: veel huishoudens met een laag inkomen ervaren woonlasten als een zware financiรซle last, ondanks de huurtoeslag.
Ook de aard van het inkomen is bepalend. Huishoudens die grotendeels afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering of andere sociale voorziening lopen structureel het grootste risico, omdat deze inkomens minder meebewegen met economisch herstel dan lonen. Flexibele arbeid en zelfstandig ondernemerschap zonder personeel (zzp) vergroten eveneens de kwetsbaarheid: in 2022 liep 5,9 procent van de zzp’ers risico op armoede, tegenover 1,7 procent van de werknemers in loondienst. Tot slot spelen niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen, schuldenproblematiek en een beperkte financiรซle buffer een belangrijke rol: twee derde van de huishoudens met een laag inkomen had in 2013 nauwelijks vermogen of stond zelfs rood.
Welke groepen leven het vaakst in armoede
Bepaalde groepen lopen al decennialang een bovengemiddeld risico op armoede, ongeacht de economische conjunctuur. Eenoudergezinnen met minderjarige kinderen en alleenstaanden onder de AOW-leeftijd staan structureel aan de top van de risicogroepen. Bij eenoudergezinnen daalde het aandeel met een laag inkomen weliswaar van bijna 30 procent tijdens de crisispiek in 2013 naar 6,8 procent in 2023, mede door de invoering van een verhoogd kindgebonden budget voor werkende alleenstaande ouders in 2015, maar het risico op langdurige armoede blijft bij deze groep relatief groot.
Ook laagopgeleiden lopen aanmerkelijk meer risico dan hoog- en middelbaar opgeleiden: in 2022 had 7,5 procent van de laagopgeleide huishoudens een laag inkomen, tegenover 2,2 procent van de hoogopgeleide huishoudens. Bijstandsontvangers vormen een aparte risicogroep: ongeveer 3 ร 4 procent van de bevolking tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd ontving de afgelopen jaren een bijstandsuitkering, en deze groep profiteerde tijdens economisch herstel doorgaans minder snel van koopkrachtverbetering dan werkenden.
Wat herkomst betreft, laten CBS-cijfers een duidelijk verschil zien tussen huishoudens met en zonder migratieachtergrond. Van de huishoudens met een hoofdkostwinner geboren buiten Europa had 13,0 procent in 2022 een laag inkomen, tegenover een aanmerkelijk lager percentage bij huishoudens van Nederlandse herkomst. Vluchtelingen uit Syriรซ liepen met 34,1 procent het grootste risico, gevolgd door huishoudens uit andere vluchtelingenlanden en migrantenhuishoudens van Marokkaanse, Turkse en Caribisch-Nederlandse herkomst. Ook de tweede generatie met niet-Europese herkomst had een bovengemiddeld armoederisico. Bij huishoudens van Nederlandse herkomst lag het aandeel met langdurig een laag inkomen in 2014 rond de 2,2 procent, tegenover 13,3 procent bij niet-westerse huishoudens, bijna zes keer zo hoog. Ouderen met alleen AOW en aanvullend pensioen vormen daarentegen al sinds de jaren negentig een groep met een relatief laag armoederisico, dankzij structurele koopkrachtverbeteringen van de AOW.
Armoede in Nederland: 1977 – heden
Ontwikkeling, risicogroepen en verschillen naar herkomst — bron: CBS
Mogelijke oplossingen
Beleidsmakers en onderzoekers wijzen op verschillende aanknopingspunten om armoede terug te dringen. Een hoger wettelijk minimumloon en hogere bijstandsnormen die beter aansluiten bij de werkelijke kosten van wonen, energie en zorg, zoals verwerkt in de nieuwe armoedegrens van CBS, Nibud en SCP, kunnen directe verlichting bieden. Het verminderen van niet-gebruik van toeslagen en gemeentelijke regelingen is een ander aandachtspunt, aangezien niet iedereen die er recht op heeft ook daadwerkelijk gebruikmaakt van inkomensondersteuning.
Voor eenoudergezinnen en werkende armen kunnen gerichte maatregelen zoals het kindgebonden budget en toegankelijke kinderopvang de arbeidsparticipatie en daarmee het inkomen verhogen. Voor bijstandsgerechtigden en mensen met een migratieachtergrond wordt vaak gewezen op scholing, taalonderwijs, erkenning van buitenlandse diploma's en het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Daarnaast blijft schuldhulpverlening van belang, omdat armoede en problematische schulden elkaar vaak versterken. Gemeenten spelen hierbij een aanvullende rol met lokale regelingen, bovenop het landelijke beleid.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


