DEN HAAG – Het kabinet komt met een uitgebreidere aanpak van online bedreiging, intimidatie en zogenoemd hybride geweld, waarbij conflicten op internet kunnen uitmonden in daadwerkelijk geweld op straat. Vooral jongeren lopen een verhoogd risico om slachtoffer te worden. Uit landelijke cijfers blijkt dat in 2024 naar schatting 280.000 Nederlanders van 15 jaar en ouder slachtoffer werden van online bedreiging in brede zin, waaronder ook online pesten, stalken en shamesexting vallen. Minister David van Weel van Justitie en Veiligheid wil daarom meer aandacht voor preventie, betere ondersteuning van slachtoffers en een grotere verantwoordelijkheid voor sociale mediaplatforms.
Dat schrijft de minister in een Kamerbrief van dinsdag 3 november. Volgens Van Weel heeft internet een steeds grotere invloed op het dagelijks leven en zijn online contacten voor veel mensen een verlengstuk van hun persoonlijke identiteit geworden. Die ontwikkeling biedt mogelijkheden, maar brengt ook risico's met zich mee. Bedreigingen, intimidatie en het verspreiden van vernederende video's kunnen grote gevolgen hebben. Bovendien blijft digitaal materiaal vaak jarenlang beschikbaar en kunnen daders zich achter een anoniem profiel verschuilen.
Jongeren tussen 15 en 18 jaar lopen grootste risico
Uit de Veiligheidsmonitor 2025 blijkt dat 2,6 procent van de ondervraagden slachtoffer werd van online bedreiging en intimidatie. Wanneer uitsluitend naar online bedreiging wordt gekeken, bedraagt dat percentage 0,9 procent. Een andere meting, de Monitor Online Veiligheid en Criminaliteit 2024, kwam bij een bredere definitie uit op 1,9 procent. Omgerekend gaat het daarbij om ongeveer 280.000 slachtoffers van 15 jaar en ouder.
Vooral jongeren tussen de 15 en 18 jaar blijken kwetsbaar. Binnen deze leeftijdsgroep gaf 3,6 procent aan slachtoffer te zijn geworden van online bedreiging. Bij jongvolwassenen tussen 18 en 25 jaar bedroeg dat percentage 1,5 procent. Vanaf hogere leeftijden neemt het aandeel slachtoffers geleidelijk af.
Opvallend is dat daders lang niet altijd onbekenden zijn. Volgens de Veiligheidsmonitor kent 40,3 procent van de slachtoffers degene die hen online bedreigt. Onder jongeren tussen 15 en 18 jaar loopt dat aandeel zelfs op tot 59,6 procent. Het gaat daardoor regelmatig om bedreigingen door mensen uit de eigen omgeving, zoals leeftijdsgenoten of bekenden.
De gevolgen kunnen langdurig zijn. In 2025 gaf 39 procent van de slachtoffers aan emotionele of financiële gevolgen te ondervinden van online bedreiging. Dat percentage lag in 2023 nog op 37,3 procent. Slachtoffers ervaren onder meer een verminderd veiligheidsgevoel, slaapproblemen, verlies van vertrouwen in anderen en depressieve gevoelens.
Online conflicten kunnen uitmonden in geweld op straat
Het kabinet maakt zich vooral zorgen over de overgang van digitale intimidatie naar fysiek geweld. Bij dit zogenoemde hybride geweld begint een conflict bijvoorbeeld via sociale media, waarna bedreigingen zich verplaatsen naar de openbare ruimte. Ook het verspreiden van video's waarop mensen worden mishandeld of vernederd, wordt als een zorgwekkende ontwikkeling gezien.
Volgens de minister kunnen online bedreigingen en vernederingen zo lang doorwerken dat slachtoffers zich ook buiten internet niet meer veilig voelen. Uit een onderzoek onder ongeveer honderd jongeren, uitgevoerd in samenwerking met Halt, blijkt dat vooral situaties waarin online en offline bedreigingen samenkomen een grote impact hebben.
Het kabinet wil daarom dat politie, scholen, jongerenwerkers en hulpverleners de digitale leefwereld nadrukkelijker betrekken bij hun bestaande aanpak van geweld en jeugdcriminaliteit. Online en offline problemen moeten niet langer als afzonderlijke verschijnselen worden behandeld.
Scholen en ouders krijgen belangrijke rol
Preventie vormt een belangrijk onderdeel van het nieuwe beleid. Het ministerie werkt samen met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) aan een proef waarbij jongeren zelf gedragscodes ontwikkelen voor hun online contacten. Daarmee moeten zij beter leren welke grenzen gelden en wanneer digitaal gedrag overgaat in intimidatie of strafbare bedreiging.
Ook wordt gewerkt aan een onderwijsmodule over online geweld binnen MijnCyberrijbewijs. Scholen kunnen deze kosteloos inzetten. Daarnaast is het lesprogramma Wie Grijpt In beschikbaar, waarin jongeren nadenken over wetten, verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun keuzes.
Ouders worden eveneens nadrukkelijk betrokken. Volgens de minister weten veel ouders onvoldoende wat hun kinderen online meemaken. Hij vindt het belangrijk dat gesprekken over sociale media en digitale contacten net zo vanzelfsprekend worden als gesprekken over school.
Sociale mediaplatforms moeten verantwoordelijkheid nemen
Naast voorlichting en preventie wil het kabinet nadrukkelijker gebruikmaken van de Europese Digital Services Act (DSA). Deze wetgeving verplicht online platforms en hostingdiensten maatregelen te nemen tegen illegale inhoud en misbruik van hun diensten.
Het ministerie onderzoekt bovendien of beelden waarop strafbare geweldsdelicten te zien zijn, verboden en verwijderd kunnen worden, met een uitzondering voor journalistieke verslaggeving. Een definitief besluit hierover is nog niet genomen.
Ook wil het kabinet de samenwerking met technologiebedrijven versterken. Via bestaande publiek-private samenwerkingsverbanden moeten overheid, internetbedrijven en maatschappelijke organisaties afspraken maken over de bestrijding van illegale en schadelijke online inhoud.
Voor slachtoffers moet daarnaast duidelijker worden waar zij terechtkunnen. Organisaties zoals Offlimits en Slachtofferhulp Nederland bieden al ondersteuning, maar volgens de minister is deze hulp nog onvoldoende bekend en vindbaar.
De aanpak wordt de komende periode verder uitgewerkt. Daarbij blijft onderzoek noodzakelijk, omdat nog relatief weinig bekend is over de achtergronden van daders en de omstandigheden waaronder online bedreigingen daadwerkelijk escaleren tot fysiek geweld. Het kabinet wil de resultaten van de nieuwe maatregelen blijven volgen en de Tweede Kamer via bestaande voortgangsrapportages informeren.


