DEN HAAG – De Nederlandse energie-intensieve industrie blijft kampen met aanzienlijk hogere elektriciteitskosten dan veel buitenlandse concurrenten. Vooral grote bedrijven die rechtstreeks zijn aangesloten op het hoogspanningsnet betalen meer dan vergelijkbare ondernemingen in onder andere Duitsland, Frankrijk en Zweden. Om de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven te verbeteren en de verduurzaming van de industrie te stimuleren, trekt het kabinet in 2027 nog eens 166 miljoen euro extra uit. Daarvan wordt 150 miljoen euro bestemd voor een nieuwe compensatieregeling.

Dat schrijven minister Stientje van Veldhoven en staatssecretaris Jo-Annes de Bat van Klimaat en Groene Groei in een Kamerbrief van 3 november. Volgens het kabinet vormen de hoge elektriciteitskosten een belangrijke belemmering voor industriële investeringen. Bedrijven die willen overstappen van fossiele brandstoffen naar elektrische productieprocessen worden geconfronteerd met stroomrekeningen die hun plannen financieel onaantrekkelijk kunnen maken. Daardoor komen niet alleen de concurrentiepositie, maar ook de Nederlandse klimaatambities onder druk te staan.

Nederlandse grootverbruikers betalen 94 euro per megawattuur

Uit een nieuwe internationale vergelijking van onderzoeksbureau E-bridge blijkt dat de Nederlandse industrie nog altijd een aanzienlijk kostennadeel heeft. Voor een grote, niet-flexibele industriële elektriciteitsverbruiker die rechtstreeks is aangesloten op het extrahoogspanningsnet van TenneT en in aanmerking komt voor compensatie, bedragen de elektriciteitskosten na kortingen en steunmaatregelen ongeveer 94 euro per megawattuur.

Het onderzoek vergelijkt Nederland met België, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Spanje. Daarbij is gekeken naar vier verschillende typen industriële elektriciteitsverbruikers, waaronder bedrijven die hun stroomverbruik kunnen aanpassen en ondernemingen die zijn aangesloten op regionale elektriciteitsnetten.

De verschillen worden veroorzaakt door zowel de elektriciteitsprijs als de kosten voor het gebruik van het stroomnet. In Duitsland liggen de elektriciteitsprijzen weliswaar hoger dan in Nederland, maar ontvangen bepaalde industriële ondernemingen aanzienlijk meer compensatie. Ook Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk kennen kortingen op nettarieven die Nederlandse grootverbruikers niet meer krijgen.

Nederland schafte in 2024 de zogenoemde volumecorrectieregeling af. Hierdoor verloren bepaalde grote elektriciteitsverbruikers hun korting op de netwerkkosten, terwijl vergelijkbare regelingen in andere Europese landen bleven bestaan.

Nettarieven stijgen volgend jaar opnieuw

De situatie wordt voor een deel van de industrie volgend jaar nog moeilijker. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft aangekondigd dat de tarieven op het hoogspanningsnet en de regionale elektriciteitsnetten in 2027 met ongeveer 20 procent stijgen. De tarieven op het extrahoogspanningsnet dalen daarentegen met 6 procent.

Een belangrijke oorzaak van de hoge netwerkkosten zijn de omvangrijke investeringen in de uitbreiding van het elektriciteitsnet, waaronder de aansluiting van windparken op de Noordzee. In Nederland worden deze investeringen deels via de nettarieven doorberekend aan gebruikers. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hanteren andere financieringsconstructies, waarbij bepaalde grote industriële bedrijven van specifieke heffingen zijn vrijgesteld.

Volgens het kabinet ontstaat hierdoor een ongelijk speelveld. Bedrijven die internationaal concurreren, moeten hun producten verkopen op markten waar buitenlandse fabrikanten met lagere energiekosten werken. Dat kan Nederlandse investeringen minder aantrekkelijk maken.

150 miljoen euro voor nieuwe compensatieregeling

Om de druk op bedrijven te verminderen, wil het kabinet in 2027 een nieuwe subsidieregeling invoeren op basis van het Europese Clean Industrial Deal State Aid Framework, afgekort CISAF. Hiervoor wordt 150 miljoen euro beschikbaar gesteld.

De regeling moet bedrijven tegemoetkomen in een deel van hun elektriciteitskosten. Daarbij gelden Europese voorwaarden. Zo moeten ondernemingen behoren tot sectoren die volgens de Europese Commissie gevoelig zijn voor internationale concurrentie en het risico dat productie naar landen buiten Europa verschuift.

Bedrijven die steun ontvangen, moeten minimaal de helft van het subsidiebedrag investeren in verduurzaming. Dat kan bijvoorbeeld door energiezuiniger te produceren, elektrische installaties te gebruiken, zelf duurzame elektriciteit op te wekken of het stroomverbruik flexibeler te organiseren.

Het kabinet wil daarnaast onderzoeken hoe ondernemingen kunnen worden gestimuleerd om hun elektriciteitsverbruik beter af te stemmen op momenten waarop voldoende stroom beschikbaar is. Van de extra 166 miljoen euro wordt 150 miljoen voor de nieuwe regeling gereserveerd. Over de precieze inzet van de overige middelen moet nog worden besloten.

Europese regels beperken mogelijkheden

Een directe verlaging van de netwerkkosten voor specifieke industriële bedrijven blijkt juridisch ingewikkeld. Het kabinet heeft verschillende mogelijkheden onderzocht, maar concludeert dat Europese staatssteunregels en de Nederlandse Energiewet daarvoor momenteel onvoldoende ruimte bieden.

Ook een algemene verlaging van de energiebelasting is onderzocht. Die maatregel zou echter niet alleen de industrie helpen, maar ook andere grote elektriciteitsverbruikers, zoals ziekenhuizen, datacenters en omvangrijke kantoorgebouwen. Daardoor zou een aanzienlijk deel van het beschikbare geld niet terechtkomen bij de bedrijven waarvoor het bedoeld is.

Het kabinet wil daarom met de Europese Commissie blijven onderhandelen over ruimere mogelijkheden om industriële elektriciteitskosten gericht te verlagen. Voor 2027 wordt de nieuwe compensatieregeling als de meest haalbare oplossing beschouwd.

Ook raffinaderijen mogelijk in aanmerking voor steun

Naast de nieuwe regeling werkt het kabinet aan uitbreiding van de bestaande indirecte kostencompensatie voor het Europese emissiehandelssysteem ETS. Via deze regeling krijgen energie-intensieve bedrijven een deel van de extra elektriciteitskosten vergoed die ontstaan doordat energieproducenten moeten betalen voor hun CO2-uitstoot.

De regeling is inmiddels uitgebreid met 22 sectoren en subsectoren. Het kabinet onderzoekt ook of conventionele olieraffinaderijen in aanmerking kunnen komen voor compensatie. Daarnaast wordt gekeken naar een hogere maximale vergoeding, de zogenoemde supercap, zoals Duitsland en Frankrijk die al toepassen.

Voor deze uitbreiding is in het coalitieakkoord een budget voorzien dat oploopt tot 505 miljoen euro per jaar tot en met 2035. Of dat voldoende is om zowel raffinaderijen toe te voegen als hogere vergoedingen mogelijk te maken, staat nog niet vast.

Definitieve keuzes volgen in voorjaar 2027

Voor de jaren na 2027 zijn eveneens aanzienlijke bedragen beschikbaar. In 2028 wordt 345 miljoen euro en in zowel 2029 als 2030 wordt 395 miljoen euro overgeheveld naar de begroting van Klimaat en Groene Groei. De precieze besteding daarvan moet nog worden vastgesteld.

Het kabinet neemt hierover naar verwachting in het voorjaar van 2027 verdere besluiten. Daarbij wordt ook gekeken naar Europese ontwikkelingen en de vraag welke bedrijven daadwerkelijk het grootste concurrentienadeel ondervinden.

Met de aangekondigde maatregelen hoopt het kabinet te voorkomen dat industriële bedrijven investeringen uitstellen of productieactiviteiten naar het buitenland verplaatsen. Tegelijkertijd moet goedkopere elektriciteit de overstap naar duurzame productieprocessen aantrekkelijker maken. Of de Nederlandse industrie daarmee daadwerkelijk op gelijke voet komt te staan met buitenlandse concurrenten, hangt mede af van toekomstige Europese regelgeving en de ontwikkeling van de stroomprijzen.