AMSTERDAM, 17 juli 2026 – De meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank Amsterdam heeft op 15 juli 2026 uitspraak gedaan in een langlopende en complexe zedenzaak. In deze strafzaak stond een man terecht die werd verdacht van het plegen van ernstige zedendelicten in de jaren negentig. De verdachte is geboren in 1969. De zaak draaide om twee afzonderlijke beschuldigingen van seksueel misbruik, waarbij de rechtbank uiteindelijk tot een integrale vrijspraak is gekomen.
De aard van de ten laste gelegde feiten
Het Openbaar Ministerie had de verdachte vervolgd voor twee specifieke feiten die zich decennia geleden zouden hebben afgespeeld.
- Het eerste feit betrof de vermeende verkrachting van de eerste aangeefster in de periode van 4 februari 1993 tot en met 31 december 1998 te Amsterdam.
- Het tweede feit betrof een poging tot het seksueel binnendringen bij een tweede aangeefster in de periode van 15 augustus 1992 tot en met 14 augustus 1994, eveneens te Amsterdam.
- Bij dit tweede feit werd specifiek ten laste gelegd dat dit slachtoffer op het moment van de vermeende feiten de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt.
De visie en de strafeis van het Openbaar Ministerie
Tijdens de terechtzitting van 1 juli 2026 heeft de officier van justitie, gerekwireerd tot een volledige bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van het Openbaar Ministerie rustte primair op de betrouwbaarheid van de aangiftes. Volgens de officier van justitie hebben de beide aangeefsters een authentieke en bovendien consistente verklaring afgelegd.
Daarnaast stelde de aanklager dat er voldoende bewijs was om de zaak te onderbouwen. De aangiftes zouden elkaar wederzijds ondersteunen. Tevens wees de officier van justitie op ondersteunende verklaringen vanuit de familiekring, waaronder die van een tante, een jonger zusje en de moeder van de betrokkenen.
Ook werden dagboekfragmenten van de eerste aangeefster als bewijsmateriaal aangedragen. Ter onderbouwing van de impact van de feiten werd door de aanklager benadrukt dat er bij de eerste aangeefster een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld, welke het gevolg zou zijn van seksueel misbruik door een familielid.
Gelet op de ernst van de feiten eiste het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Tevens vorderde de officier van justitie de oplegging van contactverboden met de aangeefsters op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering.
Het verweer van de advocaten van de verdachte
De verdediging, gevoerd door de raadslieden mr. Hoogendoorn en mr. Vogelenzang, stelde zich lijnrecht tegenover het Openbaar Ministerie en pleitte voor een integrale vrijspraak. De verdachte heeft de ten laste gelegde feiten stellig ontkend en de verdediging betoogde dat de gedane aangiftes vals zijn.
De raadslieden brachten naar voren dat de verklaringen van beide aangeefsters onbetrouwbaar zijn, mede doordat deze inconsistenties zouden bevatten en in de loop der tijd steeds verder zouden zijn aangedikt. Als motief voor het doen van valse aangiftes wees de verdediging op een hoogoplopende ruzie tussen de families.
Deze ruzie zou draaien om het bestuur van de lokale moskee. Wat betreft het door de officier van justitie aangedragen steunbewijs, beargumenteerde de verdediging dat de overige verklaringen in het strafdossier zogenaamde ‘de-auditu’ verklaringen betreffen (verklaringen van horen zeggen) en derhalve niet als wettig steunbewijs gebezigd mogen worden.
Oordeel van de rechtbank over de vermeende verkrachting
Bij de beoordeling van het eerste feit, de vermeende verkrachting, is de rechtbank allereerst ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van de eerste aangeefster. Hoewel de rechtbank constateerde dat haar verklaringen op sommige onderdelen inconsistenties bevatten, oordeelden de rechters dat deze verschillen verklaarbaar zijn door het aanzienlijke tijdsverloop tussen de vermeende feiten en het moment van verklaren.
De rechtbank achtte de verklaring geloofwaardig, mede omdat deze op bepaalde punten gesteund werd door verklaringen van de tweede aangeefster en hun zusje. De verklaring van de zus van de verdachte werd echter onvoldoende geacht als steunbewijs, aangezien deze op essentiรซle punten geen steun bood aan de feiten en eerder ontlastend was.
Ondanks de betrouwbaar geachte verklaring, stuitte een veroordeling op een juridisch obstakel. Voor een bewezenverklaring van verkrachting volgens artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold tot de wetswijziging van 1 juli 2024, is vereist dat er sprake was van dwang door middel van geweld, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid.
Deze dwang moet dusdanig zijn geweest dat het slachtoffer zich redelijkerwijs niet kon verzetten of zich niet aan de bedreigende situatie kon onttrekken.
De rechtbank concludeerde dat de feitelijkheden die in de tenlastelegging stonden beschreven, niet van dien aard waren dat wettig kon worden vastgesteld dat de aangeefster werd gedwongen tot de seksuele handelingen. Hierdoor werd de verdachte van feit 1 vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank inzake het tweede feit
Voor het tweede feit, de poging tot seksueel binnendringen bij een kind jonger dan twaalf jaar, moest de rechtbank toetsen aan de wettelijke bewijsminima. Artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering stelt dat het bewijs niet uitsluitend mag worden aangenomen op basis van de verklaring van รฉรฉn getuige of aangeefster. Er is extern steunbewijs nodig. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs volstaan, mits de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de tweede aangeefster weliswaar consistent waren geweest, maar dat deze verklaringen onvoldoende werden ondersteund door andere onafhankelijke bewijsmiddelen in het dossier. Omdat het vereiste wettige steunbewijs ontbrak, kon de poging tot seksueel binnendringen niet wettig en overtuigend worden bewezen. Dit leidde ook voor feit 2 tot een vrijspraak.
Gevolgen voor de schadeclaims van de benadeelde partijen
In het strafproces hadden beide aangeefsters zich als benadeelde partij gevoegd om een schadevergoeding te eisen.
- De eerste aangeefster vorderde een bedrag van 1.741,88 euro aan materiรซle schade.
- Daarnaast vorderde zij 51.250 euro als vergoeding voor immateriรซle schade.
- De tweede aangeefster eiste een vergoeding van 1.000 euro voor materiรซle schade.
- Voor immateriรซle schade eiste zij een bedrag van 3.000 euro.
- Beide partijen vorderden dat deze bedragen werden vermeerderd met de wettelijke rente en verzochten om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


