DEN HAAG, 11 februari 2026 – Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft geoordeeld dat de minister terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd aan een akkerbouwbedrijf dat aardappelen teelde in een gebied waarvoor een aardappelteeltverbod geldt. Dat blijkt uit een uitspraak van 10 februari 2026. Volgens het College is voor het vaststellen van een overtreding geen sprake vereist van opzettelijk handelen.
De zaak draait om percelen die vallen binnen een officieel aangewezen verbodsgebied in verband met de bestrijding van aardappelmoeheid, een schadelijke aaltjesziekte. Ondanks het verbod werden daar pootaardappelen in de volle grond geteeld.
Controle door keuringsdienst
De overtreding kwam aan het licht na een controle door de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK). In juni 2023 constateerde een toezichthouder dat op twee percelen aardappelen waren gepoot, terwijl deze gronden zijn opgenomen in een bijlage bij de Regeling plantgezondheid waarin teelt expliciet is verboden.
Op basis van het controlerapport legde de minister een last onder dwangsom op. Het bedrijf kreeg de opdracht de aardappelteelt te beëindigen, met een dwangsom van 500 euro per perceel per controle, oplopend tot maximaal 1.500 euro per perceel.
‘Geen opzet vereist’
De betrokken maatschap voerde aan dat zij niet wist dat de percelen in een verbodsgebied lagen. Zij had vooraf onderzoek laten doen naar aardappelmoeheid, waaruit geen besmetting bleek. Ook stelde het bedrijf dat de NAK niet heeft gewezen op het teeltverbod.
Het College volgt die redenering niet. Volgens het CBB geldt dat professionele telers geacht worden op de hoogte te zijn van geldende teeltvoorschriften. Voor het aannemen van een overtreding is geen ‘boos opzet’ nodig. Het enkele feit dat aardappelen zijn geteeld in een verboden gebied is voldoende.
Evenredigheidsbeginsel niet geschonden
Daarnaast betoogde de maatschap dat de maatregel onevenredig was, omdat het gewas ook op een andere manier gecontroleerd had kunnen worden. De schade door het voortijdig rooien van de aardappelen zou zijn opgelopen tot meer dan 30.000 euro.
Het College oordeelt echter dat het belang van snelle beëindiging van de teelt zwaarder weegt. Volgens de minister stimuleert wortelgroei de ontwikkeling van aaltjes en is snelle verwijdering noodzakelijk om verdere verspreiding te voorkomen. De gekozen handhavingsmaatregel is daarom geschikt en noodzakelijk.
Invordering dwangsommen blijft in stand
Na hercontroles in juli 2023 bleek dat het aardappelgewas nog steeds aanwezig was. De minister vorderde daarop tweemaal een dwangsom van 1.000 euro in. Tegen deze invordering zijn volgens het College geen inhoudelijke gronden aangevoerd, waardoor ook deze besluiten in stand blijven.
De minister, vertegenwoordigd door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, handelde daarmee binnen de bevoegdheden van de Plantgezondheidswet.
Beroep ongegrond
Het CBB verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak bevestigt dat strikte naleving van het aardappelteeltverbod wordt verlangd en dat handhavend optreden mogelijk is, ook als een teler stelt te goeder trouw te hebben gehandeld.