DEN HAAG, 4 augustus 2026 – Een landbouwmaatschap krijgt geen aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers. Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven is de voormalige eenmanszaak van de zoon niet voortgezet binnen de maatschap die hij samen met zijn ouders aanging. De minister van Landbouw mocht de aanvraag daarom afwijzen.
De zoon ontving in 2021 en 2022 met zijn eigen eenmanszaak een extra betaling voor jonge landbouwers. Zijn ouders werkten sinds mei 2001 samen in een afzonderlijke maatschap. In maart 2023 trad de zoon met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 toe tot het samenwerkingsverband van zijn ouders.
Volgens het College betekende die toetreding niet dat de eenmanszaak van de zoon werd voortgezet in een andere rechtsvorm. De eerdere onderneming en de maatschap bestonden in 2022 naast elkaar. Alleen de eenmanszaak ontving in dat jaar steun voor jonge landbouwers.
Zoon bracht geen bedrijfsmiddelen in
Bij het aangaan van de nieuwe maatschap werd het ondernemingsvermogen van de bestaande maatschap van de ouders ingebracht. De zoon bracht volgens de maatschapsakte geen vermogen, percelen, dieren of andere bedrijfsmiddelen in.
Zijn bijdrage bestond uit kennis, arbeid en vlijt. De bedrijfsmiddelen van zijn eenmanszaak, waaronder koeien en gepachte landbouwgrond, waren in 2022 verkocht of beรซindigd.
Daarmee was volgens het College geen sprake van een onderneming die binnen de maatschap werd voortgezet. De zoon beรซindigde zijn eenmanszaak en trad vervolgens toe tot het al bestaande landbouwbedrijf van zijn ouders.
Overdracht gemeld bij RVO
De zoon meldde op 9 mei 2023 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland dat zijn agrarische bedrijf per 31 december 2022 was overgedragen aan de maatschap.
De maatschap vroeg vervolgens via de Gecombineerde opgave over 2023 verschillende landbouwbetalingen aan. Het ging om de basispremie, de extra betaling voor de eerste 40 hectare en de aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers.
De basispremie en de betaling voor de eerste 40 hectare werden toegekend. De aanvraag voor jongeboerensteun werd afgewezen. De minister handhaafde dat besluit na bezwaar.
Volgens de minister bleek uit de maatschapsakte niet dat de onderneming van de zoon daadwerkelijk was overgenomen. Er waren geen rechten, bezittingen, landbouwpercelen of andere zaken vanuit de eenmanszaak ingebracht.
Alleen steunrecht overdragen onvoldoende
Tijdens een gesprek met een medewerker van de RVO verklaarde de zoon volgens de uitspraak dat hij alleen het recht op inkomenssteun voor jonge landbouwers aan de maatschap wilde overdragen.
Dat is volgens het College onvoldoende. Het recht op voortzetting van de betaling kan niet afzonderlijk van de landbouwonderneming worden overgedragen. Er moet sprake zijn van voortzetting van hetzelfde bedrijf door de nieuwe rechtsvorm.
Het College concludeert dat de eenmanszaak eind 2022 werd beรซindigd. De maatschap zette niet die onderneming voort, maar bleef het bestaande landbouwbedrijf van de ouders exploiteren met de zoon als nieuwe maat.
Regels veranderden onder GLB 2023
Onder het oude Gemeenschappelijk Landbouwbeleid konden jonge landbouwers gedurende een bepaalde periode een extra betaling ontvangen. Met de invoering van het GLB 2023 veranderde de Nederlandse ondersteuning voor jonge boeren.
Nederland koos ervoor om nieuwe jonge landbouwers vooral met vestigingssteun en investeringssteun te ondersteunen. Alleen landbouwers die onder het oude GLB al een zogenoemde top-up ontvingen en van wie de maximale steunperiode nog niet was verstreken, konden de aanvullende inkomenssteun voortzetten.
Die overgangsregeling geldt voor het landbouwbedrijf dat de eerdere steun ontving. In deze zaak ontving de eenmanszaak van de zoon de betaling. De maatschap van de ouders ontving die steun onder het oude GLB niet.
Beroep ongegrond verklaard
Omdat de maatschap niet als voortzetting van de eenmanszaak kan worden beschouwd, heeft zij volgens het College geen recht op de resterende periode van de aanvullende inkomenssteun.
De minister heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen. Het beroep van de maatschap is ongegrond verklaard. De minister hoeft de gemaakte proceskosten niet te vergoeden.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


