BRUSSEL – Het akkoord tussen Frankrijk en Duitsland over de toekomst van de Europese auto-industrie biedt autofabrikanten meer ruimte, maar lost de structurele problemen van de sector niet op. De concurrentie uit China, hoge productiekosten en achterstanden bij elektrische auto's blijven grote uitdagingen.

De Franse president Emmanuel Macron en de Duitse bondskanselier Friedrich Merz bereikten op 16 oktober overeenstemming over een versoepeling van de Europese uitstootregels en maatregelen om de productie van auto's binnen Europa te stimuleren.

Volgens een analyse van Politico is het echter de vraag of deze politieke overeenkomst voldoende is om de Europese auto-industrie weer concurrerend te maken.

Uitstootregels voor 2035 versoepeld

Het belangrijkste onderdeel van het akkoord betreft de Europese CO2-regels voor nieuwe personenauto's.

Frankrijk en Duitsland willen dat autofabrikanten hun uitstoot vanaf 2035 met 90 procent moeten verminderen ten opzichte van 2021, zonder verplichting om de resterende 10 procent te compenseren.

Daarmee zou de eerder afgesproken volledige vermindering van de uitstoot worden losgelaten. Voor fabrikanten betekent dit dat er meer ruimte ontstaat voor auto's met een verbrandingsmotor en hybride aandrijvingen.

Vooral Duitsland heeft hierop aangedrongen vanwege de grote economische belangen van Volkswagen, BMW en Mercedes-Benz.

Chinese concurrentie blijft groeien

De versoepeling verandert weinig aan de toenemende concurrentie van Chinese autofabrikanten.

Bedrijven als BYD en Xpeng hebben de afgelopen jaren grote vooruitgang geboekt met elektrische aandrijvingen, batterijen en voertuigsoftware.

Europese fabrikanten kampen ondertussen met hoge ontwikkelingskosten en moeten miljarden investeren in nieuwe technologie.

De Chinese concurrentie beperkt zich bovendien niet langer tot goedkope elektrische auto's. Fabrikanten uit China richten zich steeds nadrukkelijker op het middensegment en de duurdere automarkt.

Miljoenen Europese banen afhankelijk

De belangen zijn groot. Volgens Europese cijfers zijn ongeveer 13 miljoen arbeidsplaatsen direct of indirect verbonden aan de auto-industrie.

De sector vertegenwoordigt daarnaast ongeveer 7 procent van het gezamenlijke bruto binnenlands product van de Europese Unie.

Vooral Duitsland is sterk afhankelijk van de productie van personenauto's en auto-onderdelen. Ook Frankrijk, Italië, Spanje en verschillende Oost-Europese landen hebben grote autofabrieken.

Een verdere verzwakking van de sector kan daardoor aanzienlijke gevolgen hebben voor de Europese werkgelegenheid.

Made in Europe moet productie beschermen

Naast de uitstootregels hebben Frankrijk en Duitsland afspraken gemaakt over het zogenoemde Made in Europe-principe.

Daarmee willen beide landen Europese producenten bevoordelen bij bepaalde overheidsaanbestedingen en subsidieregelingen.

Het Verenigd Koninkrijk zou onder voorwaarden eveneens kunnen profiteren van deze regeling. Daarvoor moet Londen mogelijk vergelijkbare handelsmaatregelen tegen Chinese auto's invoeren.

Akkoord nog niet definitief

Het compromis moet nog worden omgezet in Europese regelgeving. Daarvoor is steun nodig van andere EU-lidstaten en het Europees Parlement.

Bovendien blijven belangrijke problemen bestaan, waaronder dure energie, personeelstekorten en de achterstand bij batterijtechnologie.

Het Frans-Duitse akkoord geeft autofabrikanten voorlopig vooral meer flexibiliteit. Of de Europese auto-industrie daarmee haar internationale concurrentiepositie kan herstellen, blijft onzeker.