DEN HAAG – De Nederlandse overheid heeft onvoldoende zicht op hoeveel kinderen en jongeren voor jeugdhulp in het buitenland verblijven, waar zij zijn ondergebracht en of hun veiligheid voldoende is gewaarborgd. Dat erkent minister Mirjam Sterk van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport in antwoorden op Kamervragen van Moinat (Groep Markuszower). De minister heeft gemeenten dringend opgeroepen voorlopig geen nieuwe jongeren in het buitenland te plaatsen. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan wetgeving die buitenlandse jeugdhulp alleen nog bij hoge uitzondering mogelijk moet maken.
De antwoorden, die op 2 november 2026 naar de Tweede Kamer zijn gestuurd, maken duidelijk dat de overheid momenteel niet over een volledig overzicht beschikt van Nederlandse jongeren die buiten de landsgrenzen jeugdhulp ontvangen. Daardoor kan de minister ook niet aangeven hoeveel jongeren verblijven op locaties waar kwaliteit, veiligheid en toezicht onvoldoende aantoonbaar zijn geregeld.
Geen landelijk overzicht van buitenlandse plaatsingen
Kamerlid Moinat wilde weten hoeveel Nederlandse jongeren momenteel in het buitenland verblijven voor jeugdhulp, uitgesplitst naar land, gemeente, zorgaanbieder en type hulp. Ook vroeg het Kamerlid of voor iedere plaatsing kan worden aangetoond dat de buitenlandse instelling beschikt over de vereiste vergunningen en aan de geldende veiligheidsregels voldoet.
De minister kan die informatie niet verstrekken. Volgens Sterk bestaat op dit moment onvoldoende inzicht in het aantal plaatsingen en de locaties waar Nederlandse jongeren verblijven. Daarmee ontbreekt ook een volledig beeld van de manier waarop de veiligheid en rechtsbescherming van deze jongeren zijn geregeld.
De minister noemt de situatie rond Huize Soria als voorbeeld van problemen bij buitenlandse jeugdhulp. Volgens haar laat deze kwestie zien dat de procedures en het toezicht nog te vaak tekortschieten. Zij vindt dat de noodzakelijke voorwaarden voor verantwoord toezicht op buitenlandse plaatsingen momenteel onvoldoende worden ingevuld.
Gemeenten moeten nieuwe plaatsingen opschorten
Om verdere problemen te voorkomen, heeft Sterk alle gemeenten dringend verzocht voorlopig geen nieuwe jongeren in het buitenland te plaatsen. Die oproep geldt totdat nieuwe regelgeving van kracht is. Het gaat vooralsnog om een dringend verzoek en niet om een al ingevoerd algemeen wettelijk verbod.
Daarnaast moeten gemeenten samen met jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen onderzoeken welke jongeren al in het buitenland verblijven. Daarbij moet worden vastgesteld of zij passende hulp ontvangen en of de wettelijk verplichte internationale toestemmingsprocedure is gevolgd.
Wanneer deze procedure niet is doorlopen, moeten gemeenten ervoor zorgen dat dit alsnog gebeurt. Ook adviseert de minister gemeenten om in toekomstige contracten met jeugdhulpaanbieders expliciet vast te leggen dat de verplichte toestemming moet zijn geregeld en dat buitenlandse plaatsingen bij de gemeente worden gemeld.
De resultaten van de gemeentelijke inventarisatie worden in het eerste kwartaal van 2027 verwacht.
Internationale toestemming verplicht
Voor het plaatsen van een Nederlandse jongere bij een buitenlandse jeugdhulpinstelling gelden internationale regels. Daarbij speelt de Centrale autoriteit internationale kindaangelegenheden een belangrijke rol.
Voorafgaand aan een plaatsing moet via deze autoriteit toestemming worden gevraagd aan de bevoegde instantie in het ontvangende land. Daarmee kan worden gecontroleerd of de voorgenomen plaatsing voldoet aan de plaatselijke wetgeving.
Na toestemming kan bovendien toezicht worden uitgeoefend door de inspectie van het ontvangende land. Volgens de minister is deze procedure noodzakelijk omdat Nederlandse toezichthouders in het buitenland niet dezelfde mogelijkheden hebben als binnen Nederland.
Sterk benadrukt dat buitenlandse jeugdhulp moet voldoen aan de Nederlandse kwaliteitseisen, internationale regelgeving en de wetgeving van het land waar de jongere wordt geplaatst. Zonder voldoende toezicht en waarborgen voor de veiligheid vindt zij een dergelijke plaatsing niet aanvaardbaar.
Verantwoordelijkheid ligt bij meerdere partijen
De minister bevestigt dat zij verantwoordelijk is voor het functioneren van het landelijke jeugdstelsel. Daaronder vallen ook de regels voor kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming. De uitvoering van de jeugdhulp ligt echter bij gemeenten en betrokken instellingen.
Gemeenten moeten zorgen voor voldoende kwalitatief goede jeugdhulp. Gecertificeerde instellingen zijn bij plaatsingen in het kader van jeugdbeschermingsmaatregelen verantwoordelijk voor het volgen van de internationale toestemmingsprocedure.
Jeugdhulpaanbieders moeten op hun beurt veilige en verantwoorde zorg leveren. Wanneer zij gebruikmaken van onderaannemers, moeten zowel de hoofd- als onderaannemer aan de geldende regels voldoen.
De gemeenteraad controleert of het college van burgemeester en wethouders de wettelijke taken correct uitvoert. In bijzondere gevallen kan de rijksoverheid ingrijpen via interbestuurlijk toezicht wanneer gemeenten hun verplichtingen onvoldoende nakomen.
Onderzoek naar aantallen jongeren
Naast de inventarisatie onder gemeenten is ook een onderzoek gestart bij alle gecertificeerde instellingen. Daarbij wordt gekeken naar het aantal buitenlandse plaatsingen op 1 oktober 2026.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze gegevens opgevraagd. De Tweede Kamer moet vóór het geplande wetgevingsoverleg van 30 november 2026 worden geïnformeerd over de uitkomsten.
Ook wordt samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten onderzoek gedaan naar individuele één-op-één-plaatsingen. Daarbij wil de minister eveneens beter zicht krijgen op jongeren die jeugdhulp in het buitenland ontvangen.
77 miljoen euro voor betere jeugdhulp
Het kabinet wil voorkomen dat jongeren met complexe problemen naar buitenlandse instellingen worden gestuurd omdat passende hulp in Nederland onvoldoende beschikbaar is.
Voor de jaren 2026, 2027 en 2028 is daarom 77 miljoen euro beschikbaar gesteld aan jeugdregio's. Het geld is bedoeld om residentiële plaatsingen, waarbij jongeren buiten hun eigen gezin verblijven, zoveel mogelijk te voorkomen en de duur van noodzakelijk verblijf te verkorten.
Jeugdregio's kunnen hiermee ook investeren in passende vormen van ondersteuning dichter bij huis. Daarnaast moeten zij werken aan regionale plaatsingscoördinatie, zodat jongeren beter worden gekoppeld aan voorzieningen die aansluiten bij hun behoeften.
Bij deze afstemming moeten niet alleen hulpverleners worden betrokken, maar ook jongeren zelf, hun gezinnen, verwijzers en het onderwijs.
Buitenlandse plaatsing alleen in uitzonderlijke gevallen
Een volledig verbod op buitenlandse jeugdhulp is volgens de minister niet in alle situaties wenselijk. Internationale kinderrechtenverdragen schrijven voor dat het belang van het kind altijd voorop moet staan.
Er kunnen omstandigheden bestaan waarin een buitenlandse plaatsing juist in het belang van een jongere is. De minister noemt als voorbeeld een kind dat wordt ondergebracht bij een familielid in het buitenland met wie een nauwe persoonlijke band bestaat.
Daarom wordt gewerkt aan wetgeving waarbij jeugdhulp in beginsel in Nederland moet plaatsvinden. Alleen wanneer aantoonbaar sprake is van een uitzonderlijke situatie die in het belang van het kind is, moet een buitenlandse plaatsing mogelijk blijven.
Huidige jeugdstelsel functioneert onvoldoende
Sterk erkent tegelijkertijd dat het Nederlandse jeugdstelsel momenteel onvoldoende functioneert voor kinderen en jongeren met complexe problemen. Volgens haar hebben bestaande hervormingsafspraken nog niet geleid tot voldoende grip op de beschikbaarheid en organisatie van gespecialiseerde jeugdhulp.
Het ministerie voert daarom overleg met gemeenten, instellingen, toezichthouders en andere betrokken organisaties over verdere verbeteringen. Ook jongeren en hun vertegenwoordigers worden bij de ontwikkeling van nieuwe regels betrokken.
De minister wil daarmee bereiken dat Nederlandse jongeren de noodzakelijke ondersteuning zoveel mogelijk in eigen land kunnen krijgen en dat buitenlandse plaatsingen niet langer worden gebruikt als oplossing voor ontbrekende zorgcapaciteit.



