SAN FRANCISCO– Terwijl consumenten steeds meer betalen voor computeronderdelen, vindt OpenAI-topman Sam Altman dat het wereldwijde tekort aan werkgeheugen deels wordt veroorzaakt doordat te veel geheugen ongebruikt in persoonlijke computers zit. Volgens hem kunnen de schaarse geheugenchips veel efficiënter worden ingezet in grote datacenters. Zijn uitspraken tijdens de podcast Cheeky Pint hebben tot verontwaardigde reacties geleid, vooral onder pc-gamers en computerliefhebbers.
Altman stelde tijdens het gesprek dat het vanuit mondiaal perspectief bijzonder inefficiënt is wanneer iedereen grote hoeveelheden van het beperkte beschikbare DRAM-geheugen in een eigen computer heeft zitten, terwijl daarvan volgens hem slechts vijf procent van de tijd daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt. In datacenters kan hetzelfde geheugen veel intensiever worden benut.
AI-industrie veroorzaakt zelf grote vraag
De uitspraken zijn opmerkelijk omdat juist de explosieve groei van kunstmatige intelligentie een belangrijke oorzaak is van de toenemende vraag naar geheugenchips. Technologiebedrijven investeren honderden miljarden in nieuwe datacenters, waarin enorme hoeveelheden werkgeheugen nodig zijn om geavanceerde AI-systemen te laten functioneren.
Chipfabrikanten zoals Samsung en SK Hynix hebben langdurige overeenkomsten gesloten met grote afnemers uit de AI-sector. Daardoor ontstaat extra druk op de beschikbaarheid van geheugen voor consumentenproducten zoals computers, laptops en smartphones.
Volgens technologiewebsite PC Gamer is het daarom opmerkelijk dat Altman klaagt over een tekort waaraan zijn eigen bedrijf mede heeft bijgedragen.
AI liever in de cloud dan thuis
De uitspraken van Altman moeten wel in hun oorspronkelijke context worden geplaatst. Hij sprak vooral over het lokaal draaien van AI-modellen op persoonlijke computers, een ontwikkeling die steeds populairder wordt. Daarmee kunnen gebruikers AI-toepassingen uitvoeren zonder voortdurend afhankelijk te zijn van externe servers.
Altman vindt het efficiënter wanneer dergelijke berekeningen plaatsvinden in centrale datacenters, waar de beschikbare hardware voortdurend door verschillende gebruikers kan worden benut.
Daar staat tegenover dat lokale AI juist voordelen biedt op het gebied van privacy, onafhankelijkheid en het gebruik van toepassingen zonder internetverbinding.
Consument dreigt rekening te betalen
Voor consumenten betekent de groeiende vraag naar geheugenchips dat computers en onderdelen duurder kunnen worden. Fabrikanten die grote hoeveelheden geheugen nodig hebben voor AI-datacenters beschikken over financiële middelen waarmee kleinere afnemers moeilijk kunnen concurreren.
Ook de gevolgen voor het milieu spelen mee. De enorme uitbreiding van datacenters vraagt steeds meer elektriciteit en water voor koeling, terwijl de productie van geheugenchips eveneens veel energie vergt.
De discussie draait daardoor om een steeds belangrijkere vraag: moet de beschikbare computerhardware vooral worden ingezet voor grote commerciële AI-systemen, of moeten consumenten zelf kunnen blijven bepalen hoeveel rekenkracht en geheugen zij thuis gebruiken?
Altman kiest duidelijk voor maximale benutting in datacenters. Voor veel computergebruikers is juist die toenemende afhankelijkheid van grote technologiebedrijven een reden om AI zoveel mogelijk op hun eigen computer te willen draaien.



